De alfabetcode: dyslexie opgelost?

In een uiteenzetting in de basisschool van mijn dochter maakte ik kennis met de alfabetcode van Erik Moonen. Ik heb zelf geen enkele achtergrond op het vlak van lees- en schrijfintitiatie, maar ben altijd geïntrigeerd door taalkwesties en hoe daar in het onderwijs mee wordt omgesprongen.

Paul Delaroche, Een kind leert lezen (1848)

Het praatje, dat aangekondigd werd als een kennismaking met deze nieuwe methode die in het eerste jaar van de basisschool wordt toegepast, stak dan ook raar genoeg van wal met alarmwekkende cijfers over dyslexie, uit Nederland. Moonen beweert dat de 25% aan dyslectici die aan het einde van het secundair onderwijs geraken, allemaal hadden kunnen geholpen worden als maar de correcte methode was gebruikt. Dyslexie is, volgens Moonen, wel een hersenafwijking, maar eentje die kan worden bijgestuurd door correct leesonderwijs: het zou er dan om gaan om de dyslecticus zijn hersenen juist te leren gebruiken. Alle traditionele leesonderwijs stuurt volgens hem precies aan op zo’n ‘hoog’ percentage dyslectische leerlingen. De eerste vraag die we kunnen stellen is omgekeerd: hoe komt het dat 75% wel ‘correcte’ leesvaardigheden ontwikkelt, als de methode zo funest is? Nogmaals, bij een uiteenzetting over de leesmethode in een eerste studiejaar aan ouders beginnen met angstaanjagende cijfers over dyslexie, is efficiënte maar overduidelijk oubollige reclame voor de eigen methode.

Letters staan voor klanken en moeten alsdusdanig aangeleerd worden.

We schrijven ‘boek’ omdat we in het Nederlands de klanken [b] [u:] en [k] meestal als respectievelijk ‘b’, ‘oe’ en ‘k’ geschreven worden. De alfabetmethode legt zwaar de nadruk op het aanleren van het schrift als tekens die voor klanken staan en bekritiseert andere methoden omdat ze dat niet doen. Dat is toch wel opmerkelijk omdat iedere taalgebruiker de neiging heeft woorden die hij niet kent, fonetisch te op te schrijven: mariesjosee zou dan een afdeling van de Nederlandse politie zijn. De taalgebruiker lijkt automatische van een een fonetisch schrift uit te gaan, alsof dat natuurlijk is en het is precies dit idee wat mensen zoals Moonen onterecht een eureka-gevoel geeft. Ook de Engelse onderzoekster McGuiness, die het eerst met deze methode op de proppen kwam, trapt in deze oude boutade: als we nu zouden schrijven wat we zeggen, zou niemand fouten maken. Dat lijkt heel logisch en simpel, waarom doen we dat dan niet? McGuiness legt zelfs de schuld bij de opsteller van de Engelse spelling, Samuel Johnson:

Samuel Johnson standardized the spelling for words in 1755, but he did not standardize the spelling for phonemes. If he had, I wouldn’t be writing this paper. As a result, there are multiple ways to spell most phonemes, and multiple ways to read most letters and digraphs, and these multiple ways don’t match.

Iedere eerstejaarsstudent talen zou moeten weten wat hier mis mee is en het is werkelijk choquerend dat doctoren in de letteren McGuiness en Moonen dat gewoonweg niet zien. Johnson had weliswaar alle bestaande klanken uit het Engelse taalgebied kunnen inventariseren en voor elk van die klanken een vast teken vastgelegd hebben. Het gevolg zou geweest zijn dat de Schotten, Welshmen en Ieren na verloop van tijd de Londense kranten niet meer zouden kunnen lezen hebben en vice versa. Dit zou het einde betekenen van de synchrone standaardtaal: op een bepaald moment kunnen verschillen subgroepen in het taalgebied niet meer met elkaar communiceren. Minstens even belangrijk als argument tegen fonetische neiging in spelling, is het diachrone aspect: de evolutie van de taal doorheen de geschiedenis. Indien iedereen, zoals McGuiness had gewild, fonetisch zou spellen, zouden we de teksten van 50 jaar geleden amper nog kunnen lezen. De kracht van het Engels, met een spelling die nooit in fonetische zin is aangepast, is net dat lang transparant blijft – het is voor Engelse kinderen veel en veel makkelijker om Dickens te lezen dan het is voor Nederlandstalige kinderen om Conscience te lezen.

De fonetische aanpak van McGuiness is evenwel in bepaalde mate te begrijpen wegens de reden die ik hiervoor al aanhaalde: het Engels is heel ver van een fonetische spelling verwijderd, veel verder dan Nederlands of Duits – Frans is een complexe zaak met een aparte geschiedenis waar ik hier niet kan op ingaan. McGuiness maakt een onderscheid tussen deze groepen talen: de diepgecodeerde talen (onfonetisch) en de oppervlaktegecodeerde (fonetische) talen. Daarbij rekent zij Italiaans en Spaans als de meest fonetische talen – wat weer een cirkelredenering is: als je de standaarduitspraak van het Italiaans naast het geschreven Italiaans legt is dat vrij fonetisch, maar dat wil niet zeggen dat de overgrote meerderheid van de kinderen die binnen leren lezen en schrijven, die standaardspreektaal beheerst.

Dit is lang een grote fout geweest van moedertaalonderwijs: men veronderstelde dat de Vlaamse kinderen moedertaalsprekers waren, terwijl hun eigenlijke moedertaal een dialect was, een variant met andere grammaticale, syntactische, semantische en lexicale regels. Dwz: grammatica is anders, je verbindt zinsdelen anders, woorden betekenen iets anders, er zijn andere woorden. Indien de leerlingen al de standaardspreektaal zouden beheersen, zou het onderwijs een heel ander uitgangspunt hebben. Dat deze methode ontwikkeld is op het einde van de negentiende eeuw in Engeland, mag niemand verrassen en wel in een dubbel opzicht. Enerzijds kun je je afvragen hoe de uitvinders van de methode aan de veelheid aan dialecten konden voorbijgaan – die was op dat moment in Engeland nog veel groter dan nu in Vlaanderen; anderzijds wordt het duidelijk dat als je bekijkt wie er in het late Victoriaanse tijdperk degelijk lees- en schrijfonderwijs kreeg, de methode voor hen wel had kunnen werken. Enkel de elite die al de cultuurtaal sprak, de Received Pronunciation (RP) had ontvangen, had toegang tot degelijk onderwijs. Hier zien we een glimp van de vele redenen waarom het Britse onderwijs altijd een hele elitaire aangelegenheid is geweest, maar verder kunnen we hier niet op ingaan.

De nadruk of het fonetische aspect van het schrift bij Moonen en de nadruk op het feit dat kinderen moeten begrijpen dat letters transcripties van klanken zijn, is zelf is de Vlaamse context onbegrijpelijk omdat, in vergelijking met Nederland, de taal verre van gestandardiseerd is. Dat kun je soms wel denken als je niet buiten Brabant komt, maar de verschillen in uitspraak tussen de verschillende Vlaamse provincies, maakt eigenlijk dat Moonen voor iedere dialectachtergrond een andere methode zou moeten ontwikkelen. De geilige heest gooit roet in het eten: ga je de West-Vlaamse kinderen leren dat er twee manieren zijn om een [g] te spellen zijn, namelijk ‘h’ en ‘g’; en twee manier om een [h] weer te geven, ‘h’ en ‘g’?

En dan nog, welke andere fouten dat fonetische spellingsfouten het allergrootste deel uitmaken van de spellingsfouten in alle talen – als het foutgespeld is, is het zeker een auditief equivalent, het klinkt net hetzelfde. Moonen kwam zelf met het voorbeeld Er gebeurd een ongeval, een duidelijk geval van wat ik een spelfout van de eerste orde noem: het zijn correct gespelde vormen die bestaan, maar niet passen in de gegeven context. De meeste dt-fouten behoren tot deze categorie van auditieve fouten: de uitspraak is hetzelfde. Deze fouten komen ook voor in andere talen, in het Engels bijvoorbeeld vaak als Their was nobody in site (ipv. There was nobody in sight). Elke taalgebruiker zal bij gebrek aan kennis teruggrijpen naar een fonetische spelling. De fout wordt hier dikwijls niet gemaakt omdat de taalgebruiker de regels niet kent, maar omdat hij niet oplet en vooral, omdat zijn herlezing het woord niet opvalt omdat hij niet genoeg contextueel leest. Het is een mogelijk woord maar niet in deze zin, deze context.

Een tweede categorie zou kunnen bestaan uit grammaticale hypercorrectie: de taalgebruiker weet dat hij de grammaticale regels niet kent en gaat een auditief, fonetisch schriftbeeld foutief aanpassen: Er gebeurdt een ongeval. Ook deze zin op zich is geen bewijs van dyslexie, enkel van een tekort aan grammaticale kennis. Dit soort van fouten is volgens mij ook altijd een gevolg van te weinig leespraktijk. Het werkwoord ‘gebeuren’ is zo frequent dat als de taalgebruiker de vorm ‘gebeurdt’ niet herkent als afwijkend, een bewijs hiervan is.

Echt dyslectisch taalgebruik gaat veel dieper en heeft veel fundamentelere problemen die dikwijls te maken hebben met de sequentiële verwerking van taal: de volgorde van woorden en letters. Er gebuerd een ongevageval, is een zin die mij geen twee keer doet twijfelen.

Eerst schrijven en dan lezen?

De alfabetcode beweert ook baanbrekend te zijn in de volgorde waarin de vaardigheden worden aangeleerd: eerst schrijven, dan lezen, want, aldus titelt de brochure, “Leren lezen doe je door te leren schrijven.” Dit is heel sterk tegen de intuïtie in, omdat iedereen weet dat je er mensen zijn die kunnen lezen, maar niet kunnen schrijven. Er geen mensen die niet kunnen lezen, maar wel kunnen schrijven. Dit laatste hoeft niet te betekenen dat lezen automatisch komt. Het wil ook zeggen dat lezen meer vaardigheid vereist van schrijven, je moet de waarde van de letters kennen wil je echt schrijven, de waarde aan de letters koppelen is lezen. Het is dan ook opmerkelijk dat Moonen stelt

“Alles wat je kunt schrijven, kun je lezen. (Het omgekeerde geldt niet)”: wat is kunnen schrijven? Mijn dochter was zo gebeten om te leren schrijven dat zij geregeld aan tafel zat en willekeurige tekst kopieerde die voorhanden was. Dat was voor mij perfect leesbaar en begrijpelijk, dus je kunt moeilijk zeggen dat het schrijven mislukt is. Ze had de letters perfect overgetekend. Ze kon dan ook een zin schrijven, die ze niet kon lezen. Schrijven is een manuele vaardigheid, het na-apen van wat je gewend bent te lezen. Dat schrijven na het lezen komt, hoeft niet te betekenen dat als je veel schrijft, je automatisch vlot leest. Je kunt aan lezen geen aandacht besteden en hopelijk dat het uit zichzelf komt. Wat is het belangrijkste in ieders dagelijks leven? Lezen we meer dan we schrijven, of schrijven we meer dan we lezen? Duidelijk het eerste, er is overal steeds meer tekst om ons heen (minder fysieke boeken misschien, maar niet minder tekst), dus laat de tijd uitgetrokken voor beide vaardigheden in het basisonderwijs daarmee overeenkomen. Veel lezen.

Waarom uren en uren investeren in een ouderwets koordschrift dat niemand nog dagelijks gebruikt? Dat een rigiditeit heeft wat niemand volhoudt. Vraag jezelf af: hoeveel schrijf ik nog met de hand en hoeveel met de pc? Voor het werk, voor ontspanning, voor communicatie online…

Foneembewustzijn

Een foneem is een de kleinste klankeenheid. Het woord ‘tak’ bestaat uit drie fonemen: [t], [a] en [k], drie onderscheiden klanken. In dit voorbeeld komen het aantal letter en het aantal fonemen overeen, maar dat hoeft niet: het vierletterige woord ‘soep’ bevat ook drie fonemen of klanken: [s], [u] en [p]. In het totaal heeft het Nederlands zo’n 40 basisfonemen of klanken waarmee je de hele taal fonetisch kunt weergeven. Het getal varieert omdat je de twee uitspraken van de ‘r’ (tongpunt en huig-r), de twee uitspraken van de w (ronde w in Vlaanderen, aangeblazen w in Nederland, bijna een v: een glaasje vater) enzoverder in rekening neemt.

Verder is Moonen wel categoriek over een tekort in foneembewustzijn, maar slaat hij toch duidelijk de bal mis wanneer hij als doctor in de Taal- en Letterkunde de Nederlandse fonemen niet kan onderscheiden.

Klank /i/ dik spelling: i

Klank /u/ bus spelling: u

Klank /s/ sok spelling: s

Klank /r/ rok spelling: r

Klank /e/ bek spelling: e

Klank /uu/ uur spelling: uu

Klank /n/ nat spelling: n

Klank /m/ maan spelling: m

Klank /ui/ huis spelling: ui

Klank /z/ zee spelling: z

Klank /ee/ veel spelling: ee

Klank /v/ vis spelling: v

Klank /ie/ ziek spelling: ie

Klank /w/ wat spelling: w

Klank /o/ rot spelling: o

Klank /eu/ deuk spelling: eu

Klank /a/ man spelling: a

Klank /d/ dak spelling: d

Klank /e/ de spelling: e (een)

Klank /oo/ hoop spelling: oo

Klank /t/ tak spelling: t

Klank /aa/ maan spelling: aa

Klank /p/ pet spelling: p

Klank /oe/ boek spelling: oe

Klank /l/ lief spelling: l

Klank /ou/ hout spelling: ou

Klank /b/ bal spelling: b

Klank /h/ help spelling: h

Klank /k/ kok spelling: k

Klank /j/ jong spelling: j

Klank /g/ gaaf spelling: g

Klank /ij/ ijs spelling: ij

Klank /ooi/ mooi spelling: ooi

Klank /f/ fee spelling: f

Klank /oei/ boei spelling: oei

Klank /ch/ pech spelling: ch

Klank /aai/ saai spelling: aai

Klank /ng/ zong spelling: ng

Klank /eeuw/ leeuw spelling: eeuw

Klank /sj/ sjaal spelling: sj

Klank /ieuw/ nieuw spelling: ieuw

Klank /nj/ kastanje spelling: nj

Om te beginnen zijn ‘ui’, ‘ou’, ‘ij’, ‘ooi’ en ‘oei’ geen fonemen, maar tweeklanken, ze bestaan uit twee fonemen. Dat zijn respectievelijk u+i, o+u, e+i, o:+i, u+i. Ook zijn de lange klinkers geen basisfonemen, ze worden precies zo gevormd als hun tegenhangers. Waarom zou je kinderen de aparte vorm ‘aai’ of ‘oei’ moeten aanleren als ze de fonetische basiscode kennen? En wie gaat er ooit sjaal fout spellen? Er is helemaal geen nood aan het aanleren van de klank ‘sj’ met de schrijfwijze ‘sj’. Anderzijds is het wel zo dat dit geen samengestelde klank is, wat de meeste mensen wel denken door de schrijfwijze. De Nederlandse spelling toont zich hier weer fonetischer dan gedacht. ‘Kastanje’ staat hier niet op z’n plaats, het eindigt op dezelfde klank als ‘zong’ met een ‘j’ erachteraan.

Grafeembewustzijn

De vraag naar het aandeel van foneembewustzijn bij dyslexie, kan ook omgekeerd worden. Dit is interessant omdat iedereen het erover eens is dat de definitie van dyslexie wel eens kan verschillen. Eigenlijk bestaat Moonens aanpak erin de mensen bang te maken met dyslexiestatistieken (uit Nederland dan nog), maar eigenlijk ervan overtuigd te zijn dat dyslexie als medisch probleem niet bestaat. Volgens hem is het geen erfelijke kwestie die zit in de hersenstructuur, maar een tekort aan goede training met de correcte methode. Als Moonens methode werkt, bestaat dyslexie als medisch probleem niet, want het is een kwestie van training. Roepen dat hij het grootste onderwijsprobleem heeft opgelost is dan een beetje voorbarig, tot er echte resultaten volgen. Dat de alfabetcode de resultaten levert, is nog niet bewezen.

De omgekeerde denkoefening bestaat erin te kijken naar mensen die wel voldoende leesvaardigheid ontwikkeld hebben en wat hun achtergrond is. 75% slaagt erin voldoende te leren lezen en schrijven, maar dat wil niet zeggen dat de overige 25% analfabeten zijn. Ik durf te beweren dat van de 75% die het goed doet, meer dat 75% op de vraag op welke klank het woord ‘dood’ eindigt, ‘d’ zal antwoorden. Hoeveel van de Westvlamingen zal het woord ‘hond’ foutspellen als ‘gont’ en hoeveel Limburgers schrijven ‘hoond’? Waarom spreekt iedereen de eind-n in het Nederlands uit als men mooi wil spreken, terwijl dat gewoon fout is? Waarom leest iedereen het woord ‘markt’ als men het geschreven ziet staan foutief uit als [markt] en niet zoals iedereen het altijd uitspreekt, [mart]?

Dyslexie in actie

Onderstaande zinnen zijn van een internetforumgeplukt, de schrijvers zijn mensen die een officiële diagnose dyslexie gekregen hebben en dus niet zomaar slechte spellers. Het punt is hier aan te duiden dat de fouten die zij maken geen fouten tegen het foneembewustzijn maken, integendeel. Als ze fout spellen, is het minstens fonetisch correct.

Wat lief dat je me die link stuurd 🙂

Het gaat hier niet om een simpele -dt fout. Deze vorm stuurd bestaat gewoon niet in de Nederlandse taal, maar is wel een fonetisch correcte transcriptie: in principe is deze spelling niet gekker dan hond, waar we ook een d schrijven waar we een t horen. Wat doet de taalgebruiker optereren voor een onbestaande vorm? Louter gokken, maar de fout is ook een gevolg van te weinig lezen. Wie genoeg leest, beseft vanzelf dat die vorm niet bestaand. Je kunt deze volwassen persoon verwijten de grammaticaregels aan zijn laars te lappen, maar grammaticale regels constant consulteren is niet wat een volwassen taalgebruiker behoort te doen. Het schrijven en spellen moet een automatisme worden.

Wattttttt Man das kutttttttt sjit zeg

Deze uiting gaat nog verder is het willen uitdrukken van klanken in schrift. De schrijver probeert met een boel overbodige tekens weer te geven hoe de zin uitgesproken moet klinken om zo zijn verbazing te doen blijken. Goede schrijvers kunnen dat zonder spraak te imiteren: “Wat?!? Man, da’s kut, shit zeg!”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *