‘Hoe de staart een koe werd’: het (naamwoordelijk) gezegde

De zinsontleding van uitgeverij Van In is waarlijk postmodern te noemen: Latijnse  en de moderne zinsleer van voor de eindtermen worden zo maar samengegooid. Misschien hebben ze hier goede redenen voor, maar het opmerkelijke gevolg is dat zelfs volwassenen de examenopgave niet correct kunnen oplossen.

thema10les9oef

naamwoordlijkanalyse01_oplosDe woorden in het blauw zijn de enige correcte oplossingen volgens Tijd Voor Taal 5 en die roepen toch wel enkele vragen op:

  • Als je het onderwerp correct gevonden hebt, is ‘de rest van de zin’ gewoon de rest van de zin. Waarom wordt hier expliciet naar gevraagd? Zodat iedereen tenminste 1 op 3 kan scoren?
  • Waarom wordt niet expliciet gevraagd naar de persoonsvorm zoals eindterm 6.5.3. verwacht?
  • Waarom klopt de derde vraag niet? “Wat word ik?” heeft toch als antwoord ‘brandweerman’ en niet ‘word brandweerman’. Hoe moeten leerlingen dit begrijpen?

De verwarring gaat over het begrip predicaat. Letterlijk: dat wat gezegd wordt, verkort ‘het gezegde‘ maar het gaat ook onder de duidelijker naam “de rest van de zin“.

Elke zin bestaat uit een onderwerp (subject) en een gezegde (predicaat).  Het predicaat of gezegde, is alles behalve het onderwerp: dus de rest van de zin. Het absoluut vreemd dat ‘de rest van de zin’ als een zinsdeel wordt behandeld – dat is het niet: het bevat minstens een persoonsvorm en meestal nog andere zinsdelen.

‘rest van de zin’ =  gezegde = predicaat

Het hart van het gezegde is de persoonsvorm. Is die pv een (vervoeging van) koppelwerkwoord (zijn, worden, blijven, schijnen, lijken, …), noemen we het een naamwoordelijk gezegde. Het bevat dan voornamelijk (los van werkwoord) naamwoorden: “Tullius wordt een enorm irritante zagevent.” Deze zin betekent niets zonder het zinsdeel “een enorm irritante zagevent”, daarom noemen we het noodzakelijke aanvulling van het naamwoordelijk gezegde. Vroeger noemden wij dit zinsdeel “het gezegde”, wat fout is: het is een deel van het (naamwoordelijk) gezegde.

Deze noodzakelijke aanvulling is het zinsdeel dat een antwoord biedt op de bovenstaande vraag: “Wat (of hoe) is (of wordt) het onderwerp?”:

  • Ik ben gek -> gek
  • Jan wordt een beroemd voetballer.
  • De moeilijkste mens ter wereld blijf ik tot op de dag van mijn dood.

De problematische oefening bovenaan verwart dus eigenlijk naamwoordelijk gezegde (rest van de zin) met de noodzakelijke aanvulling binnen het naamwoordelijk gezegde. Maar dan ook weer niet: want ander zinsdelen zoals bijwoordelijke bepalingen, horen niet in deze vreemde woordgroep thuis, terwijl die toch echt wel deel uitmaken van “de rest van de zin” of gezegde.

Een belangrijke oorzaak van de verwarring is de zinsleer die ik zelf kreeg in de vroege jaren ’80: wij moesten de noodzakelijke aanvulling van het naamwoordelijke gezegde aanduiden als gezegde. Dat is hetzelfde alsof je bij een prentje van de koe alle delen zou aanduiden: poten, oren, snuit, romp en dan bij de staart zou moeten schrijven koe. Deze vergissing kwam door de invloed van het Latijn, dat eigenlijk geen koppelwerkwoorden kent.

De leraar is een echte grapjas

  • De leraar: onderwerp
  • is: persoonsvorm v/h naamwoordelijk gezegde
  • een echte grapjas: noodzakelijk aanvulling v/h naamwoordelijk gezegde

In deze zin is het gezegde of de ‘rest van de zin’  “is een echte grapjas” en hierbinnen is ‘een echte grapjas’ een apart noodzakelijk zinsdeel. Enkel in een taal zonder koppelwerkwoorden (en dat zijn er niet weinig) is het hele gezegde gelijk aan de aanvulling binnen het gezegde. Dan is de staart plots gelijk aan de hele koe.

thema10les9p61Is de persoonsvorm geen koppelwerkwoord,  dan benoemen we het als een werkwoordelijk gezegde. Het verband tussen de delen in gezegde zal bepaald worden door het werkwoord. In een naamwoordelijk gezegde is er een verband met het onderwerp (Ik ben gek) – het is dus een wezenlijk ander dier. In de zin “Ik geef de koe een klap met de kat van de buren” hebben de koe, de kat en de buren niet een verband met het slaan, eerder dan met mijzelf, het onderwerp.

Daar zijn de handboeken zich van bewust: als de opgave een werkwoordelijk gezegde bevat, krijgen de leerlingen een ander kadertje voorgeschoteld. Dat geeft eens te meer de indruk dat er niet op analyse ingeoefend wordt.

Om je hiervan de vergewissen van de kwaliteit van een schoolboek volstaat het eigenlijk al de eerste bladzijde te bekijken. Als je dan dit ziet:

colofonvanin

11 maal op rij werd de 1e druk “bijgedrukt” en nooit werd er ook maar één correctie op de tekst uitgevoerd. Het moet wel het woord van god zijn …

Toevoeging 26/1/2015:

Zoals terecht wordt opgemerkt hieronder, is het bovenstaand colofon uit het spellingschrift, niet uit het werkboek waarin de zinsontleding wordt ingeoefend. Dat werd zelfs in 2010, naar aanleiding van nieuwe eindtermen, helemaal herwerkt op het vlak van taalsystematiek (‘grammatica’). Toch staat dit nog altijd vol fouten, slordigheden en is uitermate slecht geschreven. Enkele voorbeelden:

1) Een zin met twee lijdende voorwerpen kan nooit. Het tweede object is dan altijd een meewerkend voorwerp.

2lijdendvoorwerpen

2) Te complexe instructietaal met spellingsfouten die aan dyslexie doen denken

vaninfout01Er is geen bijna geen staart aan te krijgen hoe het woord ontwerp hier in de tekst verzeild geraakt is en erger nog: is blijven staan tot in druk. Hier wordt ook duidelijk hoe tautologisch de schrijfstijl van het boek altijd is, alsof daarin de pedagogie schuilt, alles drie keer zeggen binnen een zin. “Toon dat je erg bijzonder bent.” is veel begrijpelijker dan dit lang gedrocht met 8 woorden tussen onderwerp en pv.

3) Algemene regels die we moeten onthouden maar gebruik maken van meestal? Als je een greintje pedagogisch inzicht hebt, voel je toch dat dit niet kan, zeker als er perfecte alternatieven voorhanden zijn.

meestalDe correcte regel is, zoals de naam persoonvorm zo mooi uitdrukt, dat het onderwerp altijd overeenkomt (in persoon en getal) met de pv. Dit zal weer worden verdedigd als pedagogische keuze door de uitgeverij, terwijl het uit een tekort aan grammaticaal inzicht voortkomt.

4) Nog meer verwarring omtrent de tweeledigheid van de zin:isopvakantieHier wordt bedoeld: “Breid de rest van de zin verder uit” en volgens Tijd voor Taal wordt er dan meer gezegd over het onderwerp. De oplossing die ik invulde bij 1 toont aan dat dit niet het geval is. Alle bijwoordelijke bepalingen slaan in eerste instantie op de persoonsvorm. Dit is wat de juf verwacht, maar als we strikt de vraagstelling volgen, zijn correcte antwoorden enkel 2 en 3 of iets in de trant van: “Mijnheer Xeno is op vakantie, de snoeper dat hij is.” (bijstelling?) Toch zullen deze ongetwijfeld fout gerekend worden.

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Onderstaand filmpje legt alles heel goed uit. Alle talen hebben dit onderscheid, MAAR: vele talen kennen geen koppelwerkwoorden. In die talen bevat het predicaat van het werkwoordelijk gezegde een werkwoord en dat van een naamwoordelijk gezegde een naamwoord(elijke constructie)

5 gedachten over “‘Hoe de staart een koe werd’: het (naamwoordelijk) gezegde”

  1. Beste mijnheer Bruyninckx,

    Met deze refereer ik naar uw artikel ‘hoe de staart een koe werd’.

    Kan u me in antwoord laten weten waar u het desbetreffende voorbeeld in de materialen hebt gevonden? In de actuele materialen vinden wij de door u aangehaalde oefening en vraagstelling niet terug.
    De colofonreferentie die u onderaan weergeeft betreft het werkschrift van Tijd voor Taal spelling. Dit werkschrift bevat niet de taalbeschouwelijke aspecten die door u aangehaald worden.

    Aansluitend zullen wij u graag onze keuzes en visie verduidelijken.

    Erwin Lenaers
    Uitgeverij Van In

  2. Beste heer Lenaers

    De mogelijkheid tot het becommentariëren stond bij deze blogpost uit. Dat is nu aangepast. Ook heb ik een aantal screenshots toegevoegd uit het eigenlijke werkboek waar de theorie staat. Ik heb de indruk dat Tijd voor Taal 5 echt een pakket is, met verschillende boeken/werkschriften – ik vind er m’n weg niet in. U blijkbaar ook niet.
    Ook wil ik toegeven dat ik leerkrachtenhandleiding nog niet heb kunnen consulteren. Daar staat wellicht meer verheldering in, maar met een prijskaartje van €140, maakt u het ouder onmogelijk om hun kinderen thuis te helpen. Inderdaad: de zinsontleding, de spellingsregels en de werkwoordvervoeging (!) gaat volgens regels die niet gebaseerd zijn op de grammaticale regels.
    Wat de zinsontleding betreft: de eindtermen verplichten niemand verder te gaan dan het aanduiden van onderwerp en persoonsvorm.

    Ik zou ook nooit vragen om jullie pedagogische keuze te verantwoorden, daarin is iedere uitgever vrij. Mijn vragen aan iedereen blijven heel concreet:

    1. “Ik ben een fan van het Finse onderwijs.”

    Op de vraag “Welke woorden drukken uit wat ik ben?”, antwoord u dan

    a) een fan van het Finse onderwijs; of [FOUT volgens jullie boeken]
    b) ben een fan van het Finse onderwijs? [CORRECT volgens jullie boeken]

    2. Is ‘ben’ in de bovenstaande een persoonsvorm? Jullie oefeningen geven de indruk van niet: nooit wordt in een zin met koppelwerkwoord om een persoonsvorm gevraagd. Nochtans stellen de eindtermen dat leerlingen persoonsvormen moeten kunnen herkennen in elke zin.

    Mijn dochter ondergaat dus op dit eigenste moment toetsen: fout aanleren en scoren of correct aanleren zakken? Wat een dilemma…

    Johan

  3. Johan,

    Eindelijk eens iemand die perfect verwoordt waar ik al jaren mee worstel!
    Eerst met mijn zoon Cayn, die nu naar het tweede middelbaar gaat, en nu met mijn dochter Maëly die naar het zesde leerjaar gaat.

    Hun logica is duidelijk de mijne niet en het is een verademing om eindelijk eens te lezen dat iemand luidop zegt wat wellicht veel anderen, waaronder ik, stilletjes denken.

    Nu maar hopen dat het ergens toe leidt!

    Isabelle

  4. Hallo,

    Ook ik ben als mama van een zoon in het vijfde leerjaar op zoek naar uitleg over taalsystematiek in TvT 5.

    Wat een ingewikkeld en onduidelijk systeem.

    ‘In mijn tijd’ was het : “bij een koppelwerkwoord hoort een gezegde en leer de koppelwerkwoorden van buiten”.
    Maar ja, dat laatste is natuurlijk helemaal uit den boze.
    Wat een krampachtige omwegen worden aangebracht om dit te vermijden.
    Bestaat daar ook geen ‘gezegde’ over?

    marleen

    met in mijn ogen maar één doel; krampachtig vermijden dat je ‘zoals in onze tijd’ gewoon zou zeggen ‘dit zijn de koppelwerkwoorden en leer ze van buiten’

  5. Hallo Marleen,

    Bedankt voor je reactie. Sorry dat ik ze zo laat zag. Die laatste zin slaat spijkers met koppen: “krampachtig vermijden dat je de grammatica aanleert”. De moderne boeken zijn niet meer opgesteld door pedagogen en taalkundigen, maar de onderwijzers zelf. Die worden daarvoor niet betaald, maar krijgen daar dan kredieturen. Dat is dus een verdoken subsidiëring van de uitgeverijen. Daardoor krijg je in die handboeken allerlei verzonnen regeltjes die niet kloppen. Hier zijn meer voorbeelden van: men leert dat de stam van een werkwoord de ik-vorm is. Dat is fout: de stam van durven is ‘durv-‘ en daarom is het ‘durfde’. Er worden liedjes aangeleerd voor het verschil tussen au/ou, maar daar is geen regel voor en het liedje bevat niet alle woorden. Werkwoorden: de juffen begrijpen niet goed was dat is met de ‘voltooid tegenwoordige tijd’ en gebruiken ook niet de term ‘voltooid deelwoord’ voor ‘gedanst’. Tegenwoordige tijd en verleden tijd zijn duidelijk, maar voor de jongere juffen is VTT gewoon een soort verleden tijd… Ook de handboeken doen hier aan mee. Bij wiskunde mag je tot 20 stipsommen geven “… + 6 = 12” in de eerste jaren, maar dat wil niet zeggen dat je kinderen … – 58 = 162 mag voorschotelen. Voor al deze zaken steekt inspectie, pedagogische begeleidingsdienst en de hele school meestal hun hoofd in het zand.

    De ultieme vraag is: op welke manier helpt zinsontleding in het algemeen, en het naamwoordelijk gezegde in het bijzonder, om de leerlingen vooruit te helpen als taalgebruikers? Daar ben ik nog steeds niet achter.

    Waarom koppelwerkwoorden een aparte klasse zijn heb ik nooit ergens mogen leren. Een koppelwerkwoord is qua betekenis altijd een vorm van zijn, een soort van ‘=’. Bijvoorbeeld: ik = ziek. Hier zegt het ‘gezegde’ (= alles behalve onderwerp) iets over het onderwerp.
    Bij naamwoordelijke gezegdes, zeggen alle zinsdelen iets over het werkwoord. Ik / geef / een mooie bloem / aan moeder / als ze thuiskomt.

    Nogmaals sorry van mijn late reactie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *