Klassieke Nederlandse zinsontleding is onwetenschappelijk

Toen ik in 1992 aan de KU Leuven Germaanse talen studeerde, was het buisvak natuurlijk de zinsontleding, die voor de helft van de studiepunten van het vak Nederlandse Taalkunde I meetelde. Prof. G. Geerts kwam in de grote aula zijn handleiding voorlezen en verder was er een vette bundel met oefeningen (en oplossingen) en de sympathieke monitor Jos Creten waar je altijd mocht gaan oefenen en zelfs van hem een sigaartje aangeboden kreeg. Ja, die tijd…

Het is aangewezen gelinkt artikel over de spelling Geerts te bekijken om te beseffen hoezeer de politieke en publieke vingers in de pap zitten te brokken. Onderstaande materie is in vergelijking met dit nog klein bier, maar duidelijk een symptoom van dezelfde ziekte.

Na dit eerste semester was (en is het nog steeds, denk ik) gedaan met met de klassieke Latijnse syntaxis toe te passen op het Nederlands. Zelfs de studenten die in de verdere jaren louter voor taalkunde kiezen, hebben nooit nog te maken met het onderscheid tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde.

Veel van de klassieke syntaxis wordt door niemand in vraag gesteld, maar dit laatste onderscheid is wat Nederlands voor iedereen toch een beetje een wereldvreemd vak maakt. Ik herinner mij nog heel goed het 2e studiejaar en de oefeningen en hoe vreemd en onlogisch ik het toen al vond dat in sommige zinnen gesproken werd van een ‘gezegde’ en anderen van een lijdend voorwerp. Dat gewoon omdat er een andere werkwoord in de zin stond?

Categorieën uit het traditionele ontleden vallen soms niet samen met de constituenten uit de moderne taalwetenschap (bijvoorbeeld het gezegde is geen constituent)

Wikipedia, Zinsontleding.

Een gezegde is geen constituent omdat het geen empirische realiteit is. Het onderwerp is dat wel, want er kan door de verplaatsingsproef aangetoond worden dat dit een entiteit op zich is. Deze test kun je niet met een gezegde, dat ook geen zinsdeel is daarom. Verder vermengt het concept van gezegde grammatica met semantiek. Dat zijn, worden, blijken, schijnen enzoverder koppelwerkwoorden zijn, heeft niets met de grammatica te maken, maar louter met de betekenis van die werkwoorden. Semantiek of betekenisleer en syntaxis of zinsbouw zijn voor de moderne taalkunde onderscheiden studiegebieden.

Verder ontmanteld het begrip naamwoordelijk gezegde zichzelf omdat in sommige werkwoordelijke gezegdes er wel naamwoordelijke delen zitten die essentieel deel uitmaken van het gezegde. Dit is het geval voor de vele werkwoordelijke uitdrukkingen. In de zin Hans geeft de pijp aan Maarten spreken we van een werkwoordelijk gezegde, maar het gezegde bevat duidelijk naamwoordelijke delen: pijp, Maarten. Daarom heeft de ontleding de term werkwoordelijke uitdrukking ingevoerd en dat leidt de aandacht af van de naamwoordelijke delen. Eigenlijk functioneren zulke uitdrukking als naamwoordelijke gezegdes, die niet volledig zijn met simpelweg het werkwoord.

De traditionele grammaticale ontleding heeft vanaf het begin een didactisch en niet een wetenschappelijk oogmerk gehad. Vooral in het vreemdetalenonderwijs, met name voor de studie van het Latijn en Grieks was de functie van een woord in een zin van groot belang (bijvoorbeeld voor het vaststellen van de juiste naamval).

Wikipedia, Zinsontleding.

Het zinnen ontleden is dus ontstaan als een soort van oefenen om de functies van de verschillende delen van de zin te bepalen. Dit werd gezien als een goede voorbereiding voor wanneer de kinderen later Latijnse zinnen gingen lezen. Latijn kun je alleen maar lezen als je de naamvallen kunt ontcijferen, want die duiden aan wat de functie van dat woord in de zin is.

Voor het Nederlands voelt toch ieder kind aan wat de functie van een zinsdeel aan en kent het verschil tussen De koe bijt een hond en De hond bijt een koe? Zelfs zinnen met woorden die je niet kent, “De garf mukt een tuik” kun je ontleden omdat in de moderne talen de volgorde van de woorden van belang is voor de functie. In bovenstaande zin is het voor iedereen duidelijk dat de gnarf iets doet en dat de tuik die activiteit ondergaat.

Zinsontleding in de moedertaal is zoals Alice, die de muis tegenkomt aan het begin van Alice in Wonderland. Ze vraagt zich af hoe een muis aan te spreken, herinnert zich de Latijnse grammatica van haar broer en de vertaling van de vocatief als “O mouse”. Zelfs in het Latijn is de vocatief hetzelfde als de nominatief, leerde 4 Grieks-Latijn mij toen we Alice lazen. Een hele ingewikkelde, schoolse redenering om uiteindelijk bij iets uit te komen wat eigenlijk toch niet helemaal correct is.

Het zou toch wel handig zijn, die zinsontleding, bij het bestuderen van andere talen. Deze uitspraak is niet incorrect, maar geenszins van toepassing op andere moderne talen. Frans, Engels en zelfs het Duits, dat veel naamvallen behouden heeft, gebruiken net als het Nederlands woordvolgorde om de functie van woorden te bepalen. Het heeft zijn voordeel bij het leren van Latijn, inzoverre het wordt ingeoefend voor er met Latijn wordt begonnen en dan nog is de procedure helemaal niet hetzelfde.

De online beschikbare Algemene Nederlandse Spraakkunst, bevat een deel traditionele zinsontleding en een modern deel met constituentenleer. Indien het onderwijs vooruit zou willen gaan en leerlingen wetenschappelijk verantwoorde inzichten zou willen bijbrengen, zou dit de basis voor grammaticaonderwijs moeten zijn. Dit is reeds het geval in alle Engelstalige grammatica’s, voor de andere talen ben ik niet op de hoogte. Of dat in Vlaanderen ooit gaat veranderen, is nog de vraag. Het lijkt wel taboe: niemand spreekt hierover, terwijl er zoveel gesproken wordt over vernieuwing in het onderwijs.

De conclusie blijft onthutsend: op het vlak van de grammatica zitten we op school nog in de 19e eeuw. De verdere conclusie is nog hallucinanter: het onderwijs is niet in staat tot vernieuwing, want de grammatica die wordt gegeven weerspiegelt nog die van de tijd toen het onderwijs zoals we het nu kennen, ontstond.

Dit is geen pleidooi tegen grammatica, verre van, het is een pleidooi voor het onderwijzen van wetenschappelijk onderbouwde grammatica. Niet alleen is dat op zich een nastrevenswaardig doel, het zal er ook toe leiden dat grammaticaonderwijs, voor de ouderwetse scholen die daar nog aan houden, veel te gemakkelijk wordt om nog tijd aan te besteden. Dat het makkelijker zal worden als niet meer naar het onderscheid tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde wordt gevraagd, wil zelfs zeggen dat het intuïtieve begrip van de leerlingen van taal dichter bij de wetenschappelijk correcte visie ligt dat het model wat op school wordt aangeboden.

Wie de links op de website van de ANS volgt, komt terecht op een klein kamertje 6.07 van de Radboud Universiteit Nijmegen. Van alle departementen Nederlandse taalkunde over de lage landen zijn er misschien 2 mensen (deeltijds) bezig met hedendaagse grammatica. Alle andere taalkundigen zijn met meer sociaal relevante taalkundige thema’s bezig. Ik stel voor dat de scholen dit voorbeeld volgen.

Henny Vrienten – Lieske

Takenblad, ‘Lieske’

Mp3 ‘Lieske’:

Ex-DoeMaarfrontman Henny Vrienten met ‘Lieske’, over de laatste dagen van Vrientens moeder in een bejaardentehuis. Een eenvoudige luisteroefening, met aandacht voor taalvariatie. Waarom heet de moeder van Vrienten Lieske en niet Liesje? Dat is toch typisch Vlaams, of niet?

We spreken over de Moerdijk als taalgrens, Brabants met de zachte g, val van Antwerpen. We worden ons ervan bewust dat niet alle Nederlander het karikaturale Hollands spreken.

Vanaf 4m22 tot wanneer ze beginnen over bas spelen:

De fictionaliserende mens: over herinnering en fictie

In het onderstaande fragment illustreert Herman Pleij op prachtige wijze het belang van fictie voor de mens. Zelfs wat we denken dat onze dierbaarste herinneringen zijn, is een verzameling van elementen die we hier en daar onbewust ontleend hebben, zodat het voor ons betekenisvol wordt.

Wat de romanschrijver op bewuste wijze doet, doen wij allemaal elke dag met onze herinneringen. We willen allemaal leven in een verhaaltje dat ergens toe leidt.

Lesverloop:

  1. Eerst wordt het onderwerp ingeleid
  2. Als schrijfoefening aan de leerlingen gevraagd hun eigen vroegste herinnering te noteren.
  3. Er wordt de leerlingen gevraagd hun vroegste herinnering voor te lezen.
  4. We beluisteren en bekijken het fragment met Herman Pleij (7min.)
  5. We proberen gezamelijk tot een conclusie op basis van het filmpje.
  6. De leerlingen proberen op basis van hun herinnering, toetspunten aan te geven: mensen die in de herinnering voorkomen, plaatsen die je opnieuw kunt bezoeken.
  7. De leerlingen proberen hun herinnering te toetsen en rapporteren later in de klas over hun bevindingen.

Spellinghysterie anno 2017

Het idee was om naar aanleiding van de recente hysterie omtrent uitspraken van de nieuwe voorzitter van de Taalunie, een les te maken over spelling. Het onderwerp behoort in feite tot ‘taalbeschouwing’, meestal de meest slaapverwekkende lessen Nederlands, maar dat wil niet zeggen dat het niet vaardigheidsgericht is: we willen dat de leerlingen tijdens deze les 1) lezen, 2) luisteren 3) schrijven en 4) spreken. Wat er in deze les over spelling zal worden opgestoken, zal niet het gevolg zijn van het memoriseren van informatie of en inoefenen van iets. Het doel is om door op intensieve wijze met dit materiaal bezig te zijn, bij de leerlingen een visie op spelling bij te brengen, waar ze iets mee kunnen. Ten eerste, taal is communicatie: hoe moet ik spellen/schrijven/spreken? Daarop is maar een antwoord: dat is relatief, m.a.w. kijk naar de context, andere partij, boodschap en het bijhorend register. Ten tweede: het is 2017, het tijdperk van de zoekopdracht. Vergis u niet: als het op Wikipedia staat, wordt het waar.

Prof. Hans Bennis

In een eerste stap is het verzamelen van het materiaal. Dat was op zicht geen evidentie. Het interview met Taalunie-voorzitter dr. Hans Bennis bleek niet zo makkelijk te grijpen en de krantenartikels waar de controverse gevoerd werd stonden achter de betaalmuuur. Ook probeerde ik het radioprogramma te contacteren, maar kreeg zelfs geen kopie van mijn bericht. Zucht!

Interview met prof. dr. Hans Bennis

Krantenartikels

Verenkelen en verdubbelen: open en gesloten lettergreep

Deze blogpost is enkel bestemd voor ouders die met de handen in het haar zitten bij verwarrend huiswerk bij hun kinderen.

U dacht dat u de open en gesloten lettergreep wel begrepen had?

verenkelenverdubbelenDe pegagogiek denkt als volgt:

  1. het woord POTEN is een verenkeling, want er is een o weggevallen (OPEN lettergreep)
  2. het woord POTTEN is een verdubbeling, want er is een o weggevallen (GESLOTEN lettergreep)

Maar: niet alle open lettergrepen zijn een geval van verenkeling:

  1. BOTER is een open lettergreep, maar geen verenkeling: het is niet afgeleid van BOOT ofzo…
  2. ROMMEL is een gesloten lettergreep, maar geen verdubbeling: het is niet afgeleid van ROM ofzo…

De meeste (!) gesloten lettergrepen zijn wel afgeleid van andere woorden en hebben inderdaad verdubbeling van de medeklinker. Er zijn wel een boel uitzonderingen: dapper, dubbel, rommel, babbel.

In het woord avonturen heb je twee lange klanken. De lange a is geen gevolg van verenkeling, de lange u is dat wel. Krokodillen bevat twee lange o’s, open lettergrepen maar geen verenkeling.

‘Bomen’ dat komt van ‘boom’, in die zin is de regel correct, maar het leert de kinderen niet hoe om te gaan met een woord als ‘temperaturen’. Die laatste lange u, dat is duidelijk een gevolg van verenkeling, maar de lange e en lange a? Nochtans zijn dit voor ons alle drie hetzelfde fenomeen: een open lettergreep.

In de vorige blogpost over taalkundige problemen in het basisonderwijs werd gelijkaardige problemen gevonden: de pedagogie heeft de linguïstiek helemaal losgelaten. Creativiteit in het maken van lesmateriaal bij de gekende uitgeverij bestaat erin de grammatica overboord te gooien en zelfs regeltjes te beginnen verzinnen.

En trouwens: wat hoort er in de derde kolom? wat is er geen lange en ook geen korte klank? Doffe e? De -oe?

De verwarring heeft ook te maken met een andere, eerder aangestipt feit: huidige Vlaamse schoolboeken beschouwen ‘banaan’ onterecht als een uitzondering op de spelling omdat ze uitgaan van de Brabantse neiging dit kort uit te spreken: ‘bannaan’.

‘Hoe de staart een koe werd’: het (naamwoordelijk) gezegde

De zinsontleding van uitgeverij Van In is waarlijk postmodern te noemen: Latijnse  en de moderne zinsleer van voor de eindtermen worden zo maar samengegooid. Misschien hebben ze hier goede redenen voor, maar het opmerkelijke gevolg is dat zelfs volwassenen de examenopgave niet correct kunnen oplossen.

thema10les9oef

naamwoordlijkanalyse01_oplosDe woorden in het blauw zijn de enige correcte oplossingen volgens Tijd Voor Taal 5 en die roepen toch wel enkele vragen op:

  • Als je het onderwerp correct gevonden hebt, is ‘de rest van de zin’ gewoon de rest van de zin. Waarom wordt hier expliciet naar gevraagd? Zodat iedereen tenminste 1 op 3 kan scoren?
  • Waarom wordt niet expliciet gevraagd naar de persoonsvorm zoals eindterm 6.5.3. verwacht?
  • Waarom klopt de derde vraag niet? “Wat word ik?” heeft toch als antwoord ‘brandweerman’ en niet ‘word brandweerman’. Hoe moeten leerlingen dit begrijpen?

De verwarring gaat over het begrip predicaat. Letterlijk: dat wat gezegd wordt, verkort ‘het gezegde‘ maar het gaat ook onder de duidelijker naam “de rest van de zin“.

Elke zin bestaat uit een onderwerp (subject) en een gezegde (predicaat).  Het predicaat of gezegde, is alles behalve het onderwerp: dus de rest van de zin. Het absoluut vreemd dat ‘de rest van de zin’ als een zinsdeel wordt behandeld – dat is het niet: het bevat minstens een persoonsvorm en meestal nog andere zinsdelen.

‘rest van de zin’ =  gezegde = predicaat

Het hart van het gezegde is de persoonsvorm. Is die pv een (vervoeging van) koppelwerkwoord (zijn, worden, blijven, schijnen, lijken, …), noemen we het een naamwoordelijk gezegde. Het bevat dan voornamelijk (los van werkwoord) naamwoorden: “Tullius wordt een enorm irritante zagevent.” Deze zin betekent niets zonder het zinsdeel “een enorm irritante zagevent”, daarom noemen we het noodzakelijke aanvulling van het naamwoordelijk gezegde. Vroeger noemden wij dit zinsdeel “het gezegde”, wat fout is: het is een deel van het (naamwoordelijk) gezegde.

Deze noodzakelijke aanvulling is het zinsdeel dat een antwoord biedt op de bovenstaande vraag: “Wat (of hoe) is (of wordt) het onderwerp?”:

  • Ik ben gek -> gek
  • Jan wordt een beroemd voetballer.
  • De moeilijkste mens ter wereld blijf ik tot op de dag van mijn dood.

De problematische oefening bovenaan verwart dus eigenlijk naamwoordelijk gezegde (rest van de zin) met de noodzakelijke aanvulling binnen het naamwoordelijk gezegde. Maar dan ook weer niet: want ander zinsdelen zoals bijwoordelijke bepalingen, horen niet in deze vreemde woordgroep thuis, terwijl die toch echt wel deel uitmaken van “de rest van de zin” of gezegde.

Een belangrijke oorzaak van de verwarring is de zinsleer die ik zelf kreeg in de vroege jaren ’80: wij moesten de noodzakelijke aanvulling van het naamwoordelijke gezegde aanduiden als gezegde. Dat is hetzelfde alsof je bij een prentje van de koe alle delen zou aanduiden: poten, oren, snuit, romp en dan bij de staart zou moeten schrijven koe. Deze vergissing kwam door de invloed van het Latijn, dat eigenlijk geen koppelwerkwoorden kent.

De leraar is een echte grapjas

  • De leraar: onderwerp
  • is: persoonsvorm v/h naamwoordelijk gezegde
  • een echte grapjas: noodzakelijk aanvulling v/h naamwoordelijk gezegde

In deze zin is het gezegde of de ‘rest van de zin’  “is een echte grapjas” en hierbinnen is ‘een echte grapjas’ een apart noodzakelijk zinsdeel. Enkel in een taal zonder koppelwerkwoorden (en dat zijn er niet weinig) is het hele gezegde gelijk aan de aanvulling binnen het gezegde. Dan is de staart plots gelijk aan de hele koe.

thema10les9p61Is de persoonsvorm geen koppelwerkwoord,  dan benoemen we het als een werkwoordelijk gezegde. Het verband tussen de delen in gezegde zal bepaald worden door het werkwoord. In een naamwoordelijk gezegde is er een verband met het onderwerp (Ik ben gek) – het is dus een wezenlijk ander dier. In de zin “Ik geef de koe een klap met de kat van de buren” hebben de koe, de kat en de buren niet een verband met het slaan, eerder dan met mijzelf, het onderwerp.

Daar zijn de handboeken zich van bewust: als de opgave een werkwoordelijk gezegde bevat, krijgen de leerlingen een ander kadertje voorgeschoteld. Dat geeft eens te meer de indruk dat er niet op analyse ingeoefend wordt.

Om je hiervan de vergewissen van de kwaliteit van een schoolboek volstaat het eigenlijk al de eerste bladzijde te bekijken. Als je dan dit ziet:

colofonvanin

11 maal op rij werd de 1e druk “bijgedrukt” en nooit werd er ook maar één correctie op de tekst uitgevoerd. Het moet wel het woord van god zijn …

Toevoeging 26/1/2015:

Zoals terecht wordt opgemerkt hieronder, is het bovenstaand colofon uit het spellingschrift, niet uit het werkboek waarin de zinsontleding wordt ingeoefend. Dat werd zelfs in 2010, naar aanleiding van nieuwe eindtermen, helemaal herwerkt op het vlak van taalsystematiek (‘grammatica’). Toch staat dit nog altijd vol fouten, slordigheden en is uitermate slecht geschreven. Enkele voorbeelden:

1) Een zin met twee lijdende voorwerpen kan nooit. Het tweede object is dan altijd een meewerkend voorwerp.

2lijdendvoorwerpen

2) Te complexe instructietaal met spellingsfouten die aan dyslexie doen denken

vaninfout01Er is geen bijna geen staart aan te krijgen hoe het woord ontwerp hier in de tekst verzeild geraakt is en erger nog: is blijven staan tot in druk. Hier wordt ook duidelijk hoe tautologisch de schrijfstijl van het boek altijd is, alsof daarin de pedagogie schuilt, alles drie keer zeggen binnen een zin. “Toon dat je erg bijzonder bent.” is veel begrijpelijker dan dit lang gedrocht met 8 woorden tussen onderwerp en pv.

3) Algemene regels die we moeten onthouden maar gebruik maken van meestal? Als je een greintje pedagogisch inzicht hebt, voel je toch dat dit niet kan, zeker als er perfecte alternatieven voorhanden zijn.

meestalDe correcte regel is, zoals de naam persoonvorm zo mooi uitdrukt, dat het onderwerp altijd overeenkomt (in persoon en getal) met de pv. Dit zal weer worden verdedigd als pedagogische keuze door de uitgeverij, terwijl het uit een tekort aan grammaticaal inzicht voortkomt.

4) Nog meer verwarring omtrent de tweeledigheid van de zin:isopvakantieHier wordt bedoeld: “Breid de rest van de zin verder uit” en volgens Tijd voor Taal wordt er dan meer gezegd over het onderwerp. De oplossing die ik invulde bij 1 toont aan dat dit niet het geval is. Alle bijwoordelijke bepalingen slaan in eerste instantie op de persoonsvorm. Dit is wat de juf verwacht, maar als we strikt de vraagstelling volgen, zijn correcte antwoorden enkel 2 en 3 of iets in de trant van: “Mijnheer Xeno is op vakantie, de snoeper dat hij is.” (bijstelling?) Toch zullen deze ongetwijfeld fout gerekend worden.

Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Onderstaand filmpje legt alles heel goed uit. Alle talen hebben dit onderscheid, MAAR: vele talen kennen geen koppelwerkwoorden. In die talen bevat het predicaat van het werkwoordelijk gezegde een werkwoord en dat van een naamwoordelijk gezegde een naamwoord(elijke constructie)

Taalbeheersingsoefeningen in het rekenschrift

Belangrijker dan de verwarrende leerstof is op te merken waarom deze materie aangeboden wordt. Dit is in het kader van een deel van het leerplan dat de titel ‘meten’ draagt en naast ‘meetkunde’ staat. Meetkunde is een wiskundige discipline, meten daarentegen is een praktische vaardigheid die de kinderen zouden moeten worden aangeleerd: oppervlakte, inhoud berekeken en wegen zijn zulke vaardigheden, maar deze worden in boeken zoals deze herleid tot berekenen van oppervlaktes en inhouden: 3 m2 = … cm2.

De eerste week school: het eerste huiswerk. We slaan het werkboek van Zo gezegd, zo gerekend  5A, gepubliceerd door uitgeverij Van In/Plantijn, open en zien de eerste les op pagina 3:

trimestersmeten01a+

De aanduiding ‘meten’ is een directe verwijzing naar een leersdomein binnen de wiskundestof voor het lager onderwijs. Het leerplan is nochtans heel duidelijk: tijd meten doen we met een klok, chronometer, in hondersten, tienden, seconden, minuten, uren dagen, jaren en eeuwen. Al die begrippen zijn belangrijk en behoren de kinderen te kennen. De oplossing van bovenstaande tabel is nochtans:

kalenderjaar                                                      schooljaar

1 trimester = 4 maanden

1 kwartaal = 4 maanden                               3 trimesters

1 semester = 6 maanden                                 2 semesters

 

De enige manier om deze oefening correct te maken, is het woordenboek te consulteren.

De leerlingen worden in deze oefeningen dus blijkbaar getraind in synoniemen kwartaal en trimester zonder dat dit duidelijk in de verf gezet wordt. We consulteren het online Woordenboek der Nederlandse Taal (WNT):

trimester_kwartaal

Belangrijker dan de verwarrende leerstof is op te merken waarom deze materie aangeboden wordt. Dit is in het kader van een deel van het leerplan dat de titel ‘meten’ draagt en naast ‘meetkunde’ staat. Meetkunde is een wiskundige discipline, meten daarentegen is een praktische vaardigheid die de kinderen zouden moeten worden aangeleerd: oppervlakte, inhoud berekeken en wegen zijn zulke vaardigheden, maar deze worden in boeken zoals deze herleid tot berekenen van oppervlaktes en inhouden: 3 m2 = … cm2.

Spelling van de -en

De studenten van Leuven betogen op de straten en de pleinen.

klinkt in de correcte Nederlandse uitspraak als volgt:

De studente van Leuve betoge op de strate en de pleine.

Te weinig onderwijzers en onderwijzeressen zijn zich hier van bewust. Tijdens dictees wordt de eind-n steevast wel uitgesproken. ‘Hypercorrectie’ is een term uit de taalkunde die duidt op fouten die enkel gemaakt worden wanneer de spreker of schrijver heel zelfbewust is. Geen enkele spreker van het Nederlands zal tijdens het normaal converseren de eind -n uitspreken, deze fout gebeurt altijd in een situatie waarin de spreker echt bewust is van het feit dat het correct moet zijn.

De huidige praktijk in het Vlaamse onderwijs om die eindletters wel uit te spreken, maakt het makkelijker voor de kinderen, maar ze worden onmiddellijk ook ongevoelig voor het probleem. Ze horen de -n als ze die letter horen (bij dictees) en dit zorgt ervoor dat ze dit altijd zo toepassen.

Een makkelijke oplossing is er niet: die heet ‘grammatica’. Maar zelfs in het 4e studiejaar mag ik ervaren dat spelling nog altijd te weinig in zinsverband wordt getest: enkel woordenlijstjes. Dat is op zich zelfs problematisch omdat er dikwijls woorden worden getest die homofonen hebben – woorden die hetzelfde klinken, maar anders gespeld worden. Ik veronderstel dat dikwijls zelfs door de juf geen context wordt gegeven: de kinderen leren (lees: ‘memoriseren’) woordenlijstjes en door dat memoriseren, leren ze bijvoorbeeld ‘zoo’ spellen als ze [zo:] horen. Er wordt hen niet ingeprent dat context belangrijk is. Op die manier wordt al een foute basis gelegd bij de spellingscompetenties van de kinderen: spellen is memoriseren, punt uit.

L.P. Boon, Roman van de oude bultkarkas

De ‘Roman van de oude bultkarkas’ is geen roman, maar het laatste hoofdstuk van de Kapellekesbaan. Het beschrijft de absolute zelfdestructie en futiliteit van Boons project die doorheen het hele boek sijpelt, maar ultiem gekussend wordt door dit hoofdstuk en de opening. In het eerste hoofdstuk in het de kantieke schoolmeester al als arrogantie afdoet.

Simpelweg: hoe denkt ge de simpelen vlaamschen ziel, met zijn boerenverstand en bourgondisch hart te verheffen uit het slijk en de stront met kunst die hij niet voelen kan, met een realisme dat hij niet ziet of met een lied dat hij nooit heeft leren zingen? hoe kunt ge uw leven voor de mensen geven, misschien het geluk hebben om daarin te slagen, en NIET christus worden? of boeddha? Of erger nog: de levende goeroe?

bultkarkas

 

Roald Dahls postmoderne verhalenmachine

Bij Shakespeare is de betekenis van het toneelstuk in het toneelstuk duidelijk: we zien acteurs die toeschouwers spelen. Misschien zijn we allen niet gewoon toeschouwers, maar ook acteurs in het toneelstuk van het leven. In ‘De verhalenmachine’ zien we hoe de lezer een personage wordt in het verhaal, een product van iemand anders’ (wereld)visie.

Primaire literatuur:

Secundaire literatuur:

Het leven is te kort: verlies geen tijd aan het lezen onderstaande opmerkingen niet als u het verhaal zelf niet gelezen hebt.

Inleiding

Het moet een van mijn leerkrachten in het lager onderwijs zijn geweest, die ons Sjakie en de Chocoladefabriek voorlas – we waren allemaal verkocht. Thuisgekomen holde ik naar de bieb en vond daar het meeste werk van Roald Dahl ontleend, maar kwam thuis met Het Wonderlijke Verhaal van Hendrik Meier. Alleen stiekem aan die kaars geraken om te oefenen, was niet evident, maar ik heb het gedaan en moest concluderen: helderziendheid bestaat niet. Twintig jaar later zag ik een magistrale bewerking van De Wereldkampioen door Pol Goossens. Hij had het op dat moment al ettelijke seizoenen gespeeld – maar de zaal ging plat. Mijn vader, die helemaal niet zo van theater en voorstelling houdt, was ook extatisch.

Roald Dahls fictie is fundamentele verhaalkracht. Je kunt moeilijke zinnen leren schrijven, geflipte beelden en metaforen verzinnen, op vertelkunde wordt je nog altijd op afgerekend door de lezer. Door kinderen, door mensen die niet uitpakken met ‘literatuur’, maar ook de uitgever die het manuscript van de beginnende schrijver naar de trash klikt.

Zijn invloed is niet te meten en in een cursus wereldliteratuur kan hij gewoon niet ontbreken omdat bijna iedereen hem als jonge adolescent zelf gelezen heeft. Dat geldt niet voor Shakespeare, niet voor de Maupassant, niet voor Tolstoy of Joyce. Voor de huidige generatie schrijvers is hij invloedrijker dan Dickens, met wie hij een beeldende, onomatopeïsche taal deelt. Als Dickens in Hard Times een personage opvoert dat Mr. Gradgrind heet, dan hoor je onmiddellijk aan de naam wat voor een ‘aangename’ leraar hij is…

‘De Verhalenmachine’

Adolf Knipe is een vrijgezel van middelbare leeftijd met een job als ingenieur bij een technisch bedrijf. Het bedrijf heeft net een succesproject voltooid, een automatische rekenmachine besteld door de regering, die vervolgens ook de voorpagina’s van de kranten haalt. Knipes baas is heel tevreden, maar Adolf zelf blijft onbewogen, zelfs als hij vakantie krijgt om eens goed uit te rusten. Hij aanvaard het voorstel, gaat naar huis, maar rust geen moment: elke seconde van zijn vakantie gebruikt Knipe om een machine te bouwen die, net zoals een calculator berekeningen kan maken, verhalen aan elkaar kan breien volgens de wetten van de narratologie (verhaalkunst) en de grammatica.

Terug op kantoor, blijkt Knipe energieker dan ooit: hij is vol enthousiasme over zijn nieuwe machine, veel meer nog dan over zijn eerste uitvinding, die de krant haalde. Vervolgens probeert hij zijn baas, Mr. Bohlen, te betrekken in zijn plan. Het is nu niet meer de baas die de werknemer aanstuurt, maar omgekeerd, met als uiteindelijke doel financieel winstbejag. Bohlen, die al verbaasd is dat er voor literatuur betaald wordt, begint zich voor het plan van Knipe te interesseren als hij de mogelijk winst ziet.

Adolf Knipe wil de literatuur automatiseren, mechaniseren, niet uit geldgewin, maar uit frustratie met zijn eigen mislukte schrijverschap. Hij wil de aantonen dat hij toch de grootste schrijver aller tijden is omdat hij heeft doorzien hoe literatuur werkt. Volgens zijn visie is elke verhaal volgense eenzelfde principe geschreven en is het belangrijkste element van de gepubliceerde literatuur sentiment. Literatuur is een massaproduct geworden. Dit is een belangrijke nuance: Adolf Knipe wil de literatuur niet vernietigen of bekritiseren met zijn machine, hij wil enkel succes. En hij kan de literatuur enkel maar mechaniseren omdat die al gemechaniseerd is: alle schrijvers respecteren dezelfde regels en normen en komen met een vergelijkbaar product. In de logica van het verhaal (en in de opvatting van Knipe) heeft de literatuur zichzelf al opgeheven.

En verhalen… ach… dat zijn ook producten, net als tapijten en stoelen, en het kan niemand iets schelen hoe je ze maakt, zolang je ze maar kunt leveren.  We zullen aan en gros gaan verkopen, Mr Bohlen! We zullen elke schrijver in het land doodconcurreren en de markt beheersen! (p.341)

Met een uitgebreide berekening komt Knipe samen met Bohlen tot de vaststelling dat er aan literatuur met een verhalenmachine nog veel meer te verdienen valt dat met andere koopwaar. Bovendien hangt er reputatie en roem aan vast als Bohlens naam aan een serie succesvolle verhalen kan worden gekoppeld. Hij blijft echter een statisch personage: hij was al hebberig en onbeschaafd, en blijft dat gewoon. Wel worden zijn lippen, in Dahls surrealistische beschrijvingen, steeds kleiner en paarser.

Letterlijke metaforen

Met Adolph Knipe is daarentegen iets vreemds aan de hand: vanaf het moment dat hij terugkomt van vakantie en het plan voor de verhalenmachine ontvouwt zijn er opmerkelijke veranderingen in zijn uiterlijk merkbaar: zijn oren en vooral zijn tanden schijnen te groeien (p.338 e.v.). Verandert de timide, menselijke, volgzame Knipe van aan het begin stilaan in een monster dat ook steeds vochtiger begint te spreken. Dit is ontegensprekelijk een beeld, ruw en absurd, dat heel kenmerkend is voor Dahls werk en in zijn jeugdboeken later volop zal worden uitgebuit. Het is moeilijk een term te verzinnen voor dit proces, maar ik zou toch letterlijke metafoor willen voorstellen, hoe pompeus het oog moge klinken. De lange oren zijn geen metafoor, ze zitten niet gewoon in de woorden van de verteller, maar in het fictieniveau. Dahl vraagt zich af: “hoe communiceer ik aan de lezer ‘Knipe wordt een monster?'”. Hij tekent er gewoon monstertanden bij, zonder zich af te vragen of dit bij het realiteitsniveau van het verhaal past. Dit is de reden dat zijn werk aanvankelijk door critici als ‘onbeholpen’ werd afgedaan, ruw, onbewerkt. Generaties lezers hebben ondertussen bewezen dat het werkt.

Nog een opmerking over Dahls verbeeldingstaal. Dikwijls zijn de schrijvers structurele inspiratiebronnen heel evidente en dagelijkse zaken. De machine die de verhalen produceert heeft een gaspedaal en hendels net zoals een auto. Op die manier stuur je het verhaal en met het pedaal bepaal je de zoveelheid passie. Wanneer Mr. Bohlen tijden een van de testritten met de verhalenmachine het gaspedaal niet spaart blijft het resultaat ook niet uit: “Dit is weerzinwekkend!” Yes sir, antwoordt Knipe, it’s perhaps a bit fruity. De hele verbeelding van dit probleem -hoe een machine uit te beelden die verhalen maakt- gaat volgens mij terug op de Engelse uitdrukking: to drive an argument/a story home (komaf maken met…, korten metten maken met…). Dit is letterlijk wat Knipe en Bohlen doen: ze rijden het verhaal naar het einde.

Persoonlijke afrekening of politieke allegorie?

Na mijn eerste lectuur in het verzameld werk van Dahl, ging ik koortsig op zoek naar een datum voor dit verhaal, wat ik op gevoel laat jaren ’60 of vroeg jaren ’70 dacht te kunnen situeren. ‘The Great Automatic Grammatizator’ werd gepubliceerd in in de bundel Someone like you uit 1953.

Van mislukt kunstenaar tot monopolist van de (literaire) wereld… niemand kan in dit verhaal de politieke onderlaag ontgaan zijn in de voornaam van de protagonist: Adolph. Diens achternaam heeft echter ook een opvallende overeenkomst met de uitgever die uiteindelijk Dahls verhalen zou publiceren.

Alfred A. Knopf (1892-1984), uitgever van o.a. Dahls bundel Someone Like You.

De achternaam Knipe draagt een vreemde gelijkenis met de naam van de uitgever van de bundel, de beroemde (joodse!) uitgever Alfred Knopf, maar de belangrijkste overeenkomst dat ze beiden literatuur verkopen zonder zelf te schrijven. Het is deze grond van overeenkomst die het interessant maakt. Wil Dahl hier subtiel te kennen geven dat dat Knopf een slechterik is? Dat zou nogal tegenstrijdig zijn: zonder Knopf zou het verhaal waarin deze kritiek geformuleerd staat niet eens gepubliceerd zijn. Het kan niet anders of de uitgever zag de grap ervan in… en had gevoel voor humor.

Maar er is meer aan de hand: ‘De verhalenmachine’ is het enige verhaal in de bundel dat niet eerder in tijdschrift is verschenen en voor het eerst verschijnt in deze bundel. In de prachtige en eindeloze reeks Tales of the Unexpected, leidt Dahl een verhaal uit deze bundel als volgt in:

Ik zou u moeten waarschuwen als u nog een van mijn verhalen gelezen hebt, dat sommige zaken nogal kunnen choqueren. Als ik een verhaal schrijf, dat ben ik bezeten van het idee dat ik de lezers aandacht elke seconde moet vasthouden, anders ben ik dood. (Roald Dahl, Tales of the Unexpected, 1979)

Het lijkt alsof dit verhaal is geschreven is met slechts een lezer in gedachten: Alfred Knopf, dit is bijna een sollicitatie. Dit is een verhaal geschreven om Knopf in het bijzonder te overtuigen. Het is ook belangrijk omdat deze naam het boek op niveau van de metafictie tilt: de realiteit (de uitgever in dit geval) buiten het boek, wordt deel van de fictie. We komen hier later op terug, wanneer we het einde bespreken. Bij Shakespeare is de betekenis van het toneelstuk in het toneelstuk duidelijk: we zien acteurs die toeschouwers spelen. Misschien zijn we allen niet gewoon toeschouwers, maar ook acteurs in het toneelstuk van het leven. In ‘De verhalenmachine’ zien we hoe de lezer een personage wordt in het verhaal, een product van iemand anders’ (wereld)visie.

In feite zijn er opvallende gelijkenissen tussen de schrijver en de politicus: beiden vertellen een verhaal dat ze trachten te verzilveren – in boekenverkoop of stemmen – en staan daarbij met elkaar in competitie. Wanneer we het verhaal als een politieke allegorie lezen, hebben we een hoofdpersonage Adolf, dat zijn eigen politieke verhaal niet kwijt geraakt, maar er el in slaagt met toestemming van andere politici en geautomatiseerd systeem op te zetten dat de mensen geeft wat ze willen horen. De uiterlijke veelheid van meningen en stemmen is slechts een façade waarachter een enkele hand de schijn van pluralisme hooghoudt. Belangrijk is het op te merken dat hoe ingenieus ook Knipes machines is, het slagen van zijn plan is nog afhankelijk van anderen. De uitgevers moeten de verhalen die de machine voortbrengt goed vinden en publiceren. En dat gebeurt ook: zelfs gerenommeerde auteurs geven Knipe de toestemming en goedkeuring om in hun naam te schrijven. De auteurs verworden tot simpele namen, noms de plumes, personages… , maar met hun eigen goedkeuring. Hitler heeft geen staatsgreep gepleegd, hij werd binnen het democratische model verkozen. De politieke implicaties zijn geenszins vergezocht wanneer we beseffen exact deze vraagstukken ook het basisonderwerp van die andere mislukte kunsternaar, Plato.

Metafictionele omslag

Ik vind persoonlijk dit verhaal sterker dat eender welk verhaal van J.L. Borges, door de politieke implicaties, door de technologische helderziendheid, door het contrast met de rest van Roald Dahls werk en door het einde dat op treffende wijze de lezer voor een persoonlijk moreel vraagstuk zet.

Terwijl voor de laatste paragraaf het hele verhaal nog objectief was, dwz. het staat buiten de lezer, het gaat om een verhaal dat je kunt dichtklappen en ‘beheersen’, draait het einde alles om: dit verhaal wat je net las was wellicht het enige dat aan de conformistische drift in de literatuur en politiek een antwoord bood, maar ook dit is bedreigd. Het is makkelijk schelden op mensen die “voor het geld kiezen”, behalve als er kinderlevens op het spel staan. Het is makkelijk te pleiten voor niet-menselijke waarden als jouw leven en dat van je kinderen niet op het spel staan, als je geld genoeg hebt.

Terwijl je dacht dat de verloedering van de literatuur in het verhaal plaatsvond, treedt het plots binnen op het niveau van de eigen lectuur: is dit verhaal het laatste wat ontsnapte aan het imperialisme van het conformisme? Heb ik als lezer daar door mijn leesgedrag schuld aan? Stel dat elk verhaaltje dat je tegenkomt in je leven het product is van één enkele machine, wat wil dat dan zeggen? Durf je daar aan te denken?