Woorden hebben geen betekenis, ze krijgen het in context

We weten allemaal wat het woord ‘vroedvrouw’ betekent: het is een vrouw die helpt bij de geboorte van kinderen. Die betekenis lijkt eenduidig en duidelijk en we kunnen ons moeilijk voorstellen dat dit woord ooit een radicaal andere betekenis zou hebben. Ziehier de advertenties van Het Handelsblad uit 1923:

De handel in oude tanden (lees: edelmetalen) buiten beschouwing gelaten is het onmiddellijk duidelijk dat dit geen gewone vroedvrouwen zijn. Alle drie vermelden ze ‘geheime raadpleging’ of ‘geheimhouding’. Uiterst vreemd, iedereen ziet toch dat de dames zwanger zijn aan hun buik als ze gaan bevallen? Ook heel vreemd dat ze open zijn “zondags (tot 2 uur)” want als het tijdstip van bevallen heb je nu eenmaal niet te kiezen.

Het is ondertussen wel duidelijk dat dit de adressen (voor de gemakkelijkheid in de buurt van stations) zijn van abortusklinieken. Het woord ‘vroedvrouw’ in deze advertentie betekent gewoon het tegenovergestelde van wat we oorspronkelijk dachten dat het betekende en de gemiddelde taalgebruiker kan dit zien. De betekenis van woorden wordt altijd mede bepaald door de context. Omgeven door andere woorden zoals ‘geheimhouding,’ ‘enkel op zondag’ maken duidelijk dat het niet over een gewone vroedvrouw gaat.

Dit is een simpele leesoefening, maar wie ze doet, ziet met eigen ogen:

  • dat zwangerschapsonderbreking bestaat of het nu wettelijk geregeld is;
  • dat woorden op radicaal on-eigenlijke manieren kunnen gebruikt worden;
  • dat radicaal oneigenlijk gebruik van woorden een symptoom kan zijn van radicale hypocrisie.

L.P. Boon, Roman van de oude bultkarkas

De ‘Roman van de oude bultkarkas’ is geen roman, maar het laatste hoofdstuk van de Kapellekesbaan. Het beschrijft de absolute zelfdestructie en futiliteit van Boons project die doorheen het hele boek sijpelt, maar ultiem gekussend wordt door dit hoofdstuk en de opening. In het eerste hoofdstuk in het de kantieke schoolmeester al als arrogantie afdoet.

Simpelweg: hoe denkt ge de simpelen vlaamschen ziel, met zijn boerenverstand en bourgondisch hart te verheffen uit het slijk en de stront met kunst die hij niet voelen kan, met een realisme dat hij niet ziet of met een lied dat hij nooit heeft leren zingen? hoe kunt ge uw leven voor de mensen geven, misschien het geluk hebben om daarin te slagen, en NIET christus worden? of boeddha? Of erger nog: de levende goeroe?

bultkarkas

 

Roald Dahls postmoderne verhalenmachine

Bij Shakespeare is de betekenis van het toneelstuk in het toneelstuk duidelijk: we zien acteurs die toeschouwers spelen. Misschien zijn we allen niet gewoon toeschouwers, maar ook acteurs in het toneelstuk van het leven. In ‘De verhalenmachine’ zien we hoe de lezer een personage wordt in het verhaal, een product van iemand anders’ (wereld)visie.

Primaire literatuur:

Secundaire literatuur:

Het leven is te kort: verlies geen tijd aan het lezen onderstaande opmerkingen niet als u het verhaal zelf niet gelezen hebt.

Inleiding

Het moet een van mijn leerkrachten in het lager onderwijs zijn geweest, die ons Sjakie en de Chocoladefabriek voorlas – we waren allemaal verkocht. Thuisgekomen holde ik naar de bieb en vond daar het meeste werk van Roald Dahl ontleend, maar kwam thuis met Het Wonderlijke Verhaal van Hendrik Meier. Alleen stiekem aan die kaars geraken om te oefenen, was niet evident, maar ik heb het gedaan en moest concluderen: helderziendheid bestaat niet. Twintig jaar later zag ik een magistrale bewerking van De Wereldkampioen door Pol Goossens. Hij had het op dat moment al ettelijke seizoenen gespeeld – maar de zaal ging plat. Mijn vader, die helemaal niet zo van theater en voorstelling houdt, was ook extatisch.

Roald Dahls fictie is fundamentele verhaalkracht. Je kunt moeilijke zinnen leren schrijven, geflipte beelden en metaforen verzinnen, op vertelkunde wordt je nog altijd op afgerekend door de lezer. Door kinderen, door mensen die niet uitpakken met ‘literatuur’, maar ook de uitgever die het manuscript van de beginnende schrijver naar de trash klikt.

Zijn invloed is niet te meten en in een cursus wereldliteratuur kan hij gewoon niet ontbreken omdat bijna iedereen hem als jonge adolescent zelf gelezen heeft. Dat geldt niet voor Shakespeare, niet voor de Maupassant, niet voor Tolstoy of Joyce. Voor de huidige generatie schrijvers is hij invloedrijker dan Dickens, met wie hij een beeldende, onomatopeïsche taal deelt. Als Dickens in Hard Times een personage opvoert dat Mr. Gradgrind heet, dan hoor je onmiddellijk aan de naam wat voor een ‘aangename’ leraar hij is…

‘De Verhalenmachine’

Adolf Knipe is een vrijgezel van middelbare leeftijd met een job als ingenieur bij een technisch bedrijf. Het bedrijf heeft net een succesproject voltooid, een automatische rekenmachine besteld door de regering, die vervolgens ook de voorpagina’s van de kranten haalt. Knipes baas is heel tevreden, maar Adolf zelf blijft onbewogen, zelfs als hij vakantie krijgt om eens goed uit te rusten. Hij aanvaard het voorstel, gaat naar huis, maar rust geen moment: elke seconde van zijn vakantie gebruikt Knipe om een machine te bouwen die, net zoals een calculator berekeningen kan maken, verhalen aan elkaar kan breien volgens de wetten van de narratologie (verhaalkunst) en de grammatica.

Terug op kantoor, blijkt Knipe energieker dan ooit: hij is vol enthousiasme over zijn nieuwe machine, veel meer nog dan over zijn eerste uitvinding, die de krant haalde. Vervolgens probeert hij zijn baas, Mr. Bohlen, te betrekken in zijn plan. Het is nu niet meer de baas die de werknemer aanstuurt, maar omgekeerd, met als uiteindelijke doel financieel winstbejag. Bohlen, die al verbaasd is dat er voor literatuur betaald wordt, begint zich voor het plan van Knipe te interesseren als hij de mogelijk winst ziet.

Adolf Knipe wil de literatuur automatiseren, mechaniseren, niet uit geldgewin, maar uit frustratie met zijn eigen mislukte schrijverschap. Hij wil de aantonen dat hij toch de grootste schrijver aller tijden is omdat hij heeft doorzien hoe literatuur werkt. Volgens zijn visie is elke verhaal volgense eenzelfde principe geschreven en is het belangrijkste element van de gepubliceerde literatuur sentiment. Literatuur is een massaproduct geworden. Dit is een belangrijke nuance: Adolf Knipe wil de literatuur niet vernietigen of bekritiseren met zijn machine, hij wil enkel succes. En hij kan de literatuur enkel maar mechaniseren omdat die al gemechaniseerd is: alle schrijvers respecteren dezelfde regels en normen en komen met een vergelijkbaar product. In de logica van het verhaal (en in de opvatting van Knipe) heeft de literatuur zichzelf al opgeheven.

En verhalen… ach… dat zijn ook producten, net als tapijten en stoelen, en het kan niemand iets schelen hoe je ze maakt, zolang je ze maar kunt leveren.  We zullen aan en gros gaan verkopen, Mr Bohlen! We zullen elke schrijver in het land doodconcurreren en de markt beheersen! (p.341)

Met een uitgebreide berekening komt Knipe samen met Bohlen tot de vaststelling dat er aan literatuur met een verhalenmachine nog veel meer te verdienen valt dat met andere koopwaar. Bovendien hangt er reputatie en roem aan vast als Bohlens naam aan een serie succesvolle verhalen kan worden gekoppeld. Hij blijft echter een statisch personage: hij was al hebberig en onbeschaafd, en blijft dat gewoon. Wel worden zijn lippen, in Dahls surrealistische beschrijvingen, steeds kleiner en paarser.

Letterlijke metaforen

Met Adolph Knipe is daarentegen iets vreemds aan de hand: vanaf het moment dat hij terugkomt van vakantie en het plan voor de verhalenmachine ontvouwt zijn er opmerkelijke veranderingen in zijn uiterlijk merkbaar: zijn oren en vooral zijn tanden schijnen te groeien (p.338 e.v.). Verandert de timide, menselijke, volgzame Knipe van aan het begin stilaan in een monster dat ook steeds vochtiger begint te spreken. Dit is ontegensprekelijk een beeld, ruw en absurd, dat heel kenmerkend is voor Dahls werk en in zijn jeugdboeken later volop zal worden uitgebuit. Het is moeilijk een term te verzinnen voor dit proces, maar ik zou toch letterlijke metafoor willen voorstellen, hoe pompeus het oog moge klinken. De lange oren zijn geen metafoor, ze zitten niet gewoon in de woorden van de verteller, maar in het fictieniveau. Dahl vraagt zich af: “hoe communiceer ik aan de lezer ‘Knipe wordt een monster?'”. Hij tekent er gewoon monstertanden bij, zonder zich af te vragen of dit bij het realiteitsniveau van het verhaal past. Dit is de reden dat zijn werk aanvankelijk door critici als ‘onbeholpen’ werd afgedaan, ruw, onbewerkt. Generaties lezers hebben ondertussen bewezen dat het werkt.

Nog een opmerking over Dahls verbeeldingstaal. Dikwijls zijn de schrijvers structurele inspiratiebronnen heel evidente en dagelijkse zaken. De machine die de verhalen produceert heeft een gaspedaal en hendels net zoals een auto. Op die manier stuur je het verhaal en met het pedaal bepaal je de zoveelheid passie. Wanneer Mr. Bohlen tijden een van de testritten met de verhalenmachine het gaspedaal niet spaart blijft het resultaat ook niet uit: “Dit is weerzinwekkend!” Yes sir, antwoordt Knipe, it’s perhaps a bit fruity. De hele verbeelding van dit probleem -hoe een machine uit te beelden die verhalen maakt- gaat volgens mij terug op de Engelse uitdrukking: to drive an argument/a story home (komaf maken met…, korten metten maken met…). Dit is letterlijk wat Knipe en Bohlen doen: ze rijden het verhaal naar het einde.

Persoonlijke afrekening of politieke allegorie?

Na mijn eerste lectuur in het verzameld werk van Dahl, ging ik koortsig op zoek naar een datum voor dit verhaal, wat ik op gevoel laat jaren ’60 of vroeg jaren ’70 dacht te kunnen situeren. ‘The Great Automatic Grammatizator’ werd gepubliceerd in in de bundel Someone like you uit 1953.

Van mislukt kunstenaar tot monopolist van de (literaire) wereld… niemand kan in dit verhaal de politieke onderlaag ontgaan zijn in de voornaam van de protagonist: Adolph. Diens achternaam heeft echter ook een opvallende overeenkomst met de uitgever die uiteindelijk Dahls verhalen zou publiceren.

Alfred A. Knopf (1892-1984), uitgever van o.a. Dahls bundel Someone Like You.

De achternaam Knipe draagt een vreemde gelijkenis met de naam van de uitgever van de bundel, de beroemde (joodse!) uitgever Alfred Knopf, maar de belangrijkste overeenkomst dat ze beiden literatuur verkopen zonder zelf te schrijven. Het is deze grond van overeenkomst die het interessant maakt. Wil Dahl hier subtiel te kennen geven dat dat Knopf een slechterik is? Dat zou nogal tegenstrijdig zijn: zonder Knopf zou het verhaal waarin deze kritiek geformuleerd staat niet eens gepubliceerd zijn. Het kan niet anders of de uitgever zag de grap ervan in… en had gevoel voor humor.

Maar er is meer aan de hand: ‘De verhalenmachine’ is het enige verhaal in de bundel dat niet eerder in tijdschrift is verschenen en voor het eerst verschijnt in deze bundel. In de prachtige en eindeloze reeks Tales of the Unexpected, leidt Dahl een verhaal uit deze bundel als volgt in:

Ik zou u moeten waarschuwen als u nog een van mijn verhalen gelezen hebt, dat sommige zaken nogal kunnen choqueren. Als ik een verhaal schrijf, dat ben ik bezeten van het idee dat ik de lezers aandacht elke seconde moet vasthouden, anders ben ik dood. (Roald Dahl, Tales of the Unexpected, 1979)

Het lijkt alsof dit verhaal is geschreven is met slechts een lezer in gedachten: Alfred Knopf, dit is bijna een sollicitatie. Dit is een verhaal geschreven om Knopf in het bijzonder te overtuigen. Het is ook belangrijk omdat deze naam het boek op niveau van de metafictie tilt: de realiteit (de uitgever in dit geval) buiten het boek, wordt deel van de fictie. We komen hier later op terug, wanneer we het einde bespreken. Bij Shakespeare is de betekenis van het toneelstuk in het toneelstuk duidelijk: we zien acteurs die toeschouwers spelen. Misschien zijn we allen niet gewoon toeschouwers, maar ook acteurs in het toneelstuk van het leven. In ‘De verhalenmachine’ zien we hoe de lezer een personage wordt in het verhaal, een product van iemand anders’ (wereld)visie.

In feite zijn er opvallende gelijkenissen tussen de schrijver en de politicus: beiden vertellen een verhaal dat ze trachten te verzilveren – in boekenverkoop of stemmen – en staan daarbij met elkaar in competitie. Wanneer we het verhaal als een politieke allegorie lezen, hebben we een hoofdpersonage Adolf, dat zijn eigen politieke verhaal niet kwijt geraakt, maar er el in slaagt met toestemming van andere politici en geautomatiseerd systeem op te zetten dat de mensen geeft wat ze willen horen. De uiterlijke veelheid van meningen en stemmen is slechts een façade waarachter een enkele hand de schijn van pluralisme hooghoudt. Belangrijk is het op te merken dat hoe ingenieus ook Knipes machines is, het slagen van zijn plan is nog afhankelijk van anderen. De uitgevers moeten de verhalen die de machine voortbrengt goed vinden en publiceren. En dat gebeurt ook: zelfs gerenommeerde auteurs geven Knipe de toestemming en goedkeuring om in hun naam te schrijven. De auteurs verworden tot simpele namen, noms de plumes, personages… , maar met hun eigen goedkeuring. Hitler heeft geen staatsgreep gepleegd, hij werd binnen het democratische model verkozen. De politieke implicaties zijn geenszins vergezocht wanneer we beseffen exact deze vraagstukken ook het basisonderwerp van die andere mislukte kunstenaar, Plato.

Metafictionele omslag

Ik vind persoonlijk dit verhaal sterker dat eender welk verhaal van J.L. Borges, door de politieke implicaties, door de technologische helderziendheid, door het contrast met de rest van Roald Dahls werk en door het einde dat op treffende wijze de lezer voor een persoonlijk moreel vraagstuk zet.

Terwijl voor de laatste paragraaf het hele verhaal nog objectief was, dwz. het staat buiten de lezer, het gaat om een verhaal dat je kunt dichtklappen en ‘beheersen’, draait het einde alles om: dit verhaal wat je net las was wellicht het enige dat aan de conformistische drift in de literatuur en politiek een antwoord bood, maar ook dit is bedreigd. Het is makkelijk schelden op mensen die “voor het geld kiezen”, behalve als er kinderlevens op het spel staan. Het is makkelijk te pleiten voor niet-menselijke waarden als jouw leven en dat van je kinderen niet op het spel staan, als je geld genoeg hebt.

Terwijl je dacht dat de verloedering van de literatuur in het verhaal plaatsvond, treedt het plots binnen op het niveau van de eigen lectuur: is dit verhaal het laatste wat ontsnapte aan het imperialisme van het conformisme? Heb ik als lezer daar door mijn leesgedrag schuld aan? Stel dat elk verhaaltje dat je tegenkomt in je leven, het product is van één enkele machine, wat wil dat dan zeggen? Durf je daar aan te denken?

Frenologie, grafologie en social screening in de Steinerschool van Gent

Freiburg, 7.vii.2012

 Dit is een antwoord op de reacties van twee leerlingen van de Gentse Rudolf Steinerschool naar aanleiding van de volgende artikels:

 

Beste anonieme ex-leerlingen,

Vooreerst vind ik het heel vreemd dat leerlingen een leerkracht aanvallen die kritisch is over de school. Zeker als de praktijken doodleuk worden bevestigd door de directeur, maar streng veroordeeld door de Federatie voor Steinerscholen. Elke kritiek op het schoolbestuur kan in een traditionele school op bijval van de leerlingen rekenen, laat staan dat ze de school blind zouden verdedigen.

Graag had ik geweten van de eerste leerling of zij een jongen of een meisje is, maar in mijn ervaringen gaan de kindbesprekingen waarbij de leerling wordt uitgenodigd altijd over meisjes. Ik was vooral gechoqueerd (de enige correcte spelling, wat De Morgen ook wil doen geloven) door de vrouwelijke leerkrachten die aan het vraaggesprek lustig meededen en geen enkel besef bleken te hebben van de privacy van het meisje in kwestie.

Ik wil hier de volgende vergelijking maken: ik vind een missverkiezing in badpak minder erg dan een kindbespreking. De reden is simpel: alle jongedames in de missverkiezing weten dat ze daar enkel zijn om hun uiterlijk te laten beoordelen. De leerlinge in de kindbespreking denkt dat het gaat over haar talenten, vaardigheden, kennis, mogelijkheden, maar wordt louter op haar uiterlijk beoordeeld. Jullie zijn twee jongedames van 18 en jullie steunen deze praktijk? Volgens mij weten jullie wel beter, en dat stemt me wel optimistisch.

Verder zijn jullie reacties heel goed geschreven, maar ze raken de inhoud van de discussie niet:

  • Geloof je dat de vorm van je hoofd een weerspiegeling is van je talenten en persoonlijkheid?
  • Zou je je eigen kinderen naar een steinerschool sturen nu blijkt dat kinderen eigenlijk op hun uiterlijk worden beoordeeld?
  • Vinden jullie niet dat problemen, hoe erg ook, besproken moeten kunnen worden, zodat verbetering mogelijk is?
  • Vinden jullie het kunnen dat jullie school geleid wordt door een pastoor (voorganger) van een protestantse, Steiner-geïnspireerde godsdienst en daar niet openlijk voor uitkomt?

Met deze vragen is zeker een interessant klasgesprek mogelijk en heel de kwestie van de frenologie is zeker een uitstekend onderwerp voor een klassikaal vakoverschrijdend onderzoeksproject (geschiedenis, biologie, psychologie, en veel teksten te doorploegen in verschillende talen). Alle heisa en hysterie interesseert mij niet zoveel als de interesse en nieuwsgierigheid die dit genereert bij mensen, ook bij leerlingen van de steinerschool, om iets bij te leren. Waarom krijg ik de indruk dat leerkrachten die genoeg van de geschiedenis kennen om zo’n project te leiden, in de steinerschool geweerd worden?

Hieronder vind je een poging om concreet te reageren op de verschillende elementen in de twee reacties, maar eigenlijk hoop ik dat jullie dit zelfs niet lezen omdat je op een rockconcert bent, aan het barbecueën met vrienden, aan strand met uw lief en een fles cava, of aan het robbedoezen in de velden… je bent immers achttien en afgestudeerd, woeha!

Eerlijk: van harte gefeliciteerd!

Succes in je verdere leven… en hier is een spreuk van mij:

‘Alles komt goed, maar nooit op de manier dat je zou verwachten.’

‘Vrijwillige’ kindbespreking

Dat de leerkrachten toestemming vragen is wel heel correct, maar je moet niet vergeten dat dit geen gewone vraag is tussen twee mensen. De leerkrachten zijn zij die je beoordelen op het einde van het jaar. Je kunt natuurlijk wel weigeren, maar het is onzeker of de leerkracht dat niet tegen je gebruikt (al is het onbewust).

Daarnaast is er nog een veel belangrijker punt wat stilaan komt bovendrijven: de praktijk om de leerlinge in kwestie uit te nodigen in het leerkrachtencollege is helemaal niet algemeen binnen de steinerbeweging. De meeste scholen doen dit niet, maar dit wil allerminst zeggen dat ze niet aan kindbespreking doen. Concreet: de leerkrachten analyseren en bekijken iedereen met deze bril, ook degenen die niet worden uitgenodigd. Meestal (ik heb dit van persoonlijke bronnen in binnen- en buitenland) wordt een leerling meestal met een boodschap uit de klas gestuurd om iets te halen in de leerkrachtenkamer, waar dan toevallig een aantal leerkrachten zitten te vergaderen. Een uitgelezen kans om de leerlingen eens goed te bekijken.

Dit is het grote probleem en de oorzaak van de commotie: een praktijk die in andere scholen helemaal in het geheim plaatsvindt (zonder leerlingen uit te nodigen) wordt nu door de onvoorzichtigheid van Arnout De Meyere te grabbel gegooid. Als de kindbespreking de normaalste zaak van de wereld is, waarom belt hij me dan op met bedreiging (“Jij hebt problemen, jij hebt problemen!” en “Dit wordt gemeld bij bekenden”), onmiddellijk nadat hij voor het eerst de journalist aan de lijn kreeg? Blijkbaar zijn er toch kleine hoekjes en kantjes die men verborgen wil houden.

Grondplan van de ‘campus’ – ik kreeg veel documentatie maar geen plannetje, maar dat is snel gemaakt. Kasteellaan bovenaan links.

“Geen slecht gevoel of spijt”

Wil je nu zeggen dat je het een aangename belevenis vond? Dat vind ik moeilijk te geloven. Misschien is het anders verlopen dan ik beschreven heb. Moest je je oren tonen en je naam op bord schrijven? Werd je ondervraagd over je privéleven? Dat alles gaf je geen slecht gevoel?

Het meest bizarre deel (de eigenlijke bespreking) gebeurt ook niet in aanwezigheid van de leerling, maar als die buiten is. Eigenlijk is het vraaggesprek dat je hebt meegemaakt enkel een excuus, zodat het hele college van leerkrachten je lichaam eens goed kan bekijken. Volgens de literatuur (over bijvoorbeeld Amerikaanse Waldorf scholen) blijkt dat daar ook aan ‘child study’ wordt gedaan, maar zelden wordt de leerling uitgenodigd. Berichten uit andere Vlaamse steinerscholen bevestigen eerder deze praktijk: de leerling wordt met een excuus naar de leerkrachtenkamer gestuurd voor een klusje, waar toevallig een aantal leerkrachten zitten te vergaderen.

“De resultaten worden meegedeeld”

Als ik het goed begrijp heb je een analyse van je karakter aan de hand van de vorm van je hoofd, oren enzoverder mee naar huis gekregen. Je vindt dat “leerrijk” – dus je gelooft werkelijk dat je karakter en talenten volledig af te lezen zijn aan de vorm van je hoofd? Verwacht je later, als je misschien zelf kinderen hebt, dat de leerkracht zijn beoordeling baseert (of zich überhaupt ook maar bezighoudt met) de vorm van de schedel van je kleine spruit in plaats van wat zij/hij kan en presteert?

“U besefte niet wat er gebeurde”

Toen de leerling kwam getuigen begreep ik niet wat er ging gebeuren of de bedoeling was. Toen de leerling buiten was en de analyse begon werd het duidelijk, het heeft zelfs een naam. Zoals het filmpje duidelijk maakt, dit is een wetenschap van in de tijd dat men nog niet in de hersenen kon kijken of opereren. Frenologie is dus hopeloos verouderd, bijna bijgeloof. Op basis van deze nepwetenschap zijn in de 19e eeuw onschuldige mensen ter dood veroordeeld en mensen nog onder het nazi-regime (1933-1945) als minderwaardigen bestempeld en ter dood gebracht als dieren. Dat zijn de extremen, maar ondertussen hebben we toch geleerd: niet alleen de buitenkant telt…

Rudolf Steinerschool, Kasteellaan 54, Gent

“Ik vind het dan echter ook uw recht niet om zonder goede kennis van zaken de school zwart te maken voor de hele media.”

Gelukkig leven we nog in een wereld waar mijn rechten niet afhangen van de mening van een 18-jarige… Ik ben verder niet akkoord met de formulering: er is hele strikte berichtgeving gebeurd en de school heeft kans tot wederwoord gekregen. Daarin bevestigde De Meyere niet alleen het bestaan van de kindbespreking maar ook a) dat het al 25 jaar gebeurt; b) dat het typisch steinerschool is. De journalist, ikzelf, iedereen die het verhaal hoorde was gechoqueerd. Ik heb niet geoordeeld of zelfs maar mijn mening over steinerscholen gegeven – ik heb gewoon verteld wat er gebeurd is. Het gaat niet over de vragen die gesteld worden, maar over de analyse die gebeurt in afwezigheid van de leerling.

“Ik ben er zeker van dat de leerkrachten u dan degelijk hadden kunnen verwoorden wat hun bedoeling was.”

Inderdaad, jij kunt zelf niet vertellen wat de bedoeling was, maar dat is te begrijpen (zie verderop). Van volwassen leerkrachten die betaald worden door de staat (!) daarentegen verwacht ik wel dat ze weten dat het karakter en de talenten van iemand niet af te lezen zijn op zijn of haar uiterlijk. Ze hoeven daarvoor zelfs het woord frenologie of psychognomie niet te kennen. Roddelen en mensen in hokjes stoppen is makkelijk, naar jezelf kijken en je zwakke punten zien is al wat moeilijker – vooral als je niet zo zelfzeker bent.

“Ik heb zelf mijn hele leven op de Steinerschool gezeten en heb niets gemerkt van alle dingen die jullie insinueren!”

Het is de expliciete bedoeling van de school om haar antroposofisch programma tenminste voor de leerlingen en voor de meeste ouders geheim te houden. In de schoolbrochure die ik ontvangen heb (van maar 2009) lees ik op p.5:

Overigens is de antroposofie geen lesstof voor de kinderen. De ouders hoeven de antroposofische visie niet te beamen. Essentieel is dat de ouders openstaan voor het onderwijsproces zoals dat in de school plaatsvindt en waar mogelijk het daadwerkelijk ondersteunen.

Ten eerste: de school loop vol met mensen die de antroposofie tot alleenzaligmakend hebben verheven, maar die deze absolute waarheid niet delen met de leerlingen? Verder bemerkte ik in alle klassen toch wel een grote nieuwsgierigheid naar Rudolf Steiner.

Ten tweede: wat over de ouders gezegd wordt, is al helemaal bevreemdend: ze hoeven de antroposofie niet te kennen. Waarom wordt dat niet aangemoedigd als Steiner zo interessant is volgens de schoolleiding?

Ten derde: datgene waar de ouders voor moeten openstaan is niet het pedagogische project zoals beschreven in het gelijknamige document, maar “het onderwijsproces zoals dat in de school plaatsvindt.” Ouders die hun kinderen naar zulk een school sturen, tekenen een blanco contract. Nog anders geformuleerd: ouders die kritiek hebben op de pedagogie (zelfs al citeren ze Steiner zelf) kunnen oprotten. Meedoen aan de school is de school kritiekloos steunen in alles wat ze doet. Dat is niet mijn kritiek of mening – dit staat gewoon in de documenten te lezen. Pretty scary stuff, als je het mij vraagt…

“Ja, de Steinerschool heeft ook zijn mindere kanten, maar dat heeft iedere school, nietwaar??”

Deze ‘school’ beoordeelt de persoon, niet wat hij presteert en bijleert en komt er dan ook nog eens botweg voor uit… Ze doen niet aan onderwijs, maar aan opvoeding (en onderwijs is daar een kleine fractie van) en het is dat ook tekenend dat ze zich op dat vlak een aantal keer van term vergissen in hun documentatie.

Het verschil met andere scholen (ik ken ze) is dat er net ruimte wordt gecreëerd voor echte medezeggenschap en zelfkritiek. Het is een sterkte om een zwakke kanten onder ogen te durven nemen, dat is de enige weg naar constante verbetering. Dat de steinerscholen hiertoe niet in staat blijken, toont aan hoezeer het goeroescholen zijn die krampachtig vasthouden aan een pedagogie die 100 jaar oud is, of doen alsof om hun eigenlijke programma te verbergen.

Ze geloven niet in vooruitgang – een hele eeuw aan pedagogisch onderzoek weigeren ze simpelweg ook maar in beschouwing te nemen. Als je echt niet gelooft in voorruitgang, geloof je ook niet in onderwijs. Waarom zou je iemand naar school laten gaan als die zich niet kan ontwikkelen? Ze geloven ook niet in onderwijs en doen eigenlijk niet aan onderwijs, maar aan (her)opvoeding en noemen het anders om subsidies te kunnen ontvangen. Over die (poging tot) (her)opvoeding misschien later meer. Nu wil ik dieper ingaan op het ongeloof in vooruitgang in het algemeen en ongeloof in bijleren in het bijzonder. Oefenen, herhalen enzoverder zijn in de steinerschool niet aan de orde: of je slim of dom bent, handig of onhandig, artistiek of logisch, het wordt allemaal vooraf door het lot bepaald. Als Modred goed kan rekenen, is dat omdat hij voorbestemd is, als Hadewijch prachtig kan spreken, stond het in de sterren geschreven. Bijleren bestaat niet. Je bent voorbestemd. Les volgen in de steinerschool lijkt een beetje op je hand laten lezen bij Madame Soleille:

Wij willen kwaliteitsonderwijs verstrekken, geïnspireerd door de manier waarop in de antroposofie naar de mens en zijn ontwikkeling wordt gekeken. (Pedagogisch Project Steinerscholen 2010, p.4)

Een mens is [in de antroposofie] een burger van twee werelden: zowel een geestelijke als een materiële wereld. (PP)

Antroposofie is een geesteswetenschap die uitgaat van de idee dat de zichtbare, zintuigelijk waarneembare wereld [niet alleen bestaat, maar] zijn oorsprong vindt in en verbonden is met de geestelijke wereld. (Schoolbrochure, p. 4 ‘Achtergronden van de Steinerpedagogie’)

Steiners idee is dat de mens meerdere levens op aarde doormaakt en dat er een samenhang is tussen deze levens. (SB)

Een mens komt op aarde met een plan en krijgt een lichaam dat voor dit plan kan dienen. Dit plan leeft (eerst) niet in ons bewustzijn. (SB)

Vanuit de geestelijke wereld komt de mens als kind op aarde met een verborgen, uniek levensplan. (Pedagogisch Project Steinerscholen 2010, p.4)

Het doel van onze opvoeding [sic] is het kind te helpen om zijn eigen plan te leren ontdekken en realiseren. (…) Wij willen dan vooral meehelpen om het eigen innerlijk leven, de daadkracht en het sociaal voelen van de leerling te ontplooien. (PP)

Misschien toch even samenvatten: je lot staat vast, je wordt ermee geboren, maar dit lot bestaat enkel in de geestelijke wereld (je kunt het niet aanraken). Maar gelukkig is de materiële wereld (alles wat wel tastbaar is) een weerspiegeling van de geestelijke: en dat is de reden waarom jullie leerkrachten zo geïnteresseerd zijn in jullie schedelvorm en fysiek: het is een weerspiegeling van jullie lot. Hier staat botweg dat de leerkrachten jullie lot lezen in je uiterlijk.

Antroposofie in de Schoolbrochure

Natuurlijk bestaat dit niet: je kunt iemands lot niet aflezen aan het uiterlijk. Anders had Arnout De Meyere natuurlijk aan mijn uiterlijk al kunnen zien dat ik een slechterik was, of niet? Wat er concreet gebeurt is eigenlijk: valsspelen, natuurlijk. Je gelooft toch niet echt in Madame Solleil? De leerkrachten verzamelen eerst informatie (over privéleven, gezin, schoolresultaten) en gaan dan hun voorbarige conclusie in een gelaatsanalyse of fysische analyse projecteren.

Voor mij is het oké als je in reïncarnatie gelooft, maar als een school als doel heeft alle leerlingen bij hun reïncarnatie te helpen, gaat dit een stap te ver. Je gaat naar school om te leren, niet om te reïncarneren.

Muurschildering aan de ingang van het Rommelwaterpark, op 50m van de Kasteellaan.

Dat was ook het geval in de kindbespreking die ik meemaakte: de leerkrachten moesten worden gepusht door de schoolarts om observaties te maken, ze konden amper zelf opmerkingen verzinnen. De schoolarts moest dan suggesties doen in de orde van “Heb je die lip gezien? Dat pruillipje aan de linkerkant.” En dan iedereen maar beamen van “O ja dat pruillipje, dat is wel opvallend, ja dat wou ik net zeggen!”.

Ook de artistieke vakken, zogezegd om je lot (talent) te ontdekken, kunnen hoogstens opleveren dat je carrière kan maken als mandenvlechter, koperslager, beeldhouwer, kantklosster, vilttufter of een ander compleet anachronistisch beroep. Voeg daar dan bij dat de steinerschool al jaar en dag op meest absurde wijze standpunt blijft innemen tegen het ICT-onderwijs en het plaatje klopt.

“Er nog nooit klachten zijn geweest van leerkrachten, ouders of leerlingen! Zijn zij dan niet degene waar het over gaat? Zijn zij dan niet de mensen die wèl weten wat er precies gebeurde?”

De ouders en de leerlingen maken geen kindbespreking mee. Wie z’n mond opentrekt als leerkracht gaat op de zwarte lijst: steinerscholen worden door de federatie verplicht om bij een aanwerving contact op te nemen met vorige steinerscholen waar de leerkracht actief was.

Ik had nooit gedacht dat je echt naar onze school kwam om er iets te vinden waar je commentaar op kon geven, waar je mee in de media kon komen.

Ik was heel benieuwd naar de steinerschool, en vond het een uiterst aangename tijd. Ik denk zelfs te mogen zeggen dat een heel aantal leerlingen daar zo over dachten. Ik zou zo voor mijn leven getekend hebben bij de steinerschool, tot na mijn ervaring die donderdag. En reken maar dat het 100% zeker zou geweest zijn dat ze mij voor een andere vervanging hadden gebeld, had ik gewoon maar mijn bek gehouden.

Je mag gerust weten dat ik het heel onaangenaam vind om mijn foto te zien staan in de krant, idem met mijn naam. Anoniem getuigen in zo’n gewichtige zaak zou eerder lafhartig zijn. Ik win hier niets bij, integendeel zelfs. Aanvankelijk was de getuigenis anoniem, omdat deze website zich garant stelde voor de informatie. Naar verluidt zouden er nog getuigenissen in de pers aankomen, maar vele mensen zijn bang.

Anderen zullen met je lachen en je bespotten, je bent nu eenmaal niet zoals zij, maar: “Onthou wie je bent, groentje!” (Lousberghkaai, Gent)

Ten minste, zo komt het nu op ons over. Ik ben zelf echt geshockeerd! En ik denk dat ik uit naam van vele leerlingen mag spreken…

Voor mijn part ben je een leerkracht of directielid die zich voordoet als een leerlinge. Je hebt dus helemaal niet uit naam van andere leerlingen te spreken. Mocht je een jaar jonger zijn, dan zou ik je heel anders aanspreken, veel vriendelijker, als tegen een kind. Ik hoop dat je deze reactie dan ook begrijpt…

Johan Bruyninckx

 

Daan Zonderlands absurde kinderliteratuur

En nogmaals, in deze tijden van chronische informatiediarree kan het in het onderwijs moet de focus veranderen van het opslaan van naar het leren omgaan met informatie. Iedereen heeft binnenkort toegang tot wikipedia via de smartphone, we kunnen er dus best goed mee leren omgaan. Dat wil concreet zeggen: de stroom aan info verwerken, herstructureren, selecteren en vooral ook: de waarde van de info inschatten.

Lesmateriaal:

Daan Zonderland, Professor Zegellak en Lodewijk Losbol

Het feit dat kinderen een gevoel voor realisme moeten leren, toont aan dat hun vermogen voor fantasie en creativiteit veel hoger is dan dat van volwassenen en dat dit vermogen van nature in iedereen zit. Het vermogen om exact te memoriseren en te reproduceren is bij een chimpansee vele malen groter dan bij de mens. De mens, daarentegen, registreert informatie op zo’n manier, dat die later, in een nieuwe context, gebruikbaar kan zijn. Dit kan enkel wanneer er uitgemaakt welk deel van de informatie belangrijk, en welk deel secundair is. De mens slaat informatie op door ze interpreteren en te herstructureren.

 

En nogmaals, in deze tijden van chronische informatiediarree kan het in het onderwijs moet de focus veranderen van het opslaan van naar het leren omgaan met informatie. Iedereen heeft binnenkort toegang tot wikipedia via de smartphone, we kunnen er dus best goed mee leren omgaan. Dat wil concreet zeggen: de stroom aan info verwerken, herstructureren, selecteren en vooral ook: de waarde van de info inschatten.

 

Daan Zonderland

De waarde van fantastische literatuur zoals die van Daan Zonderland is voor mij dat ze net deze vaardigheden traint en wel op zeer speelse wijze. Constante vreemde wendingen, complexe grapjes en doorbrekingen van het realistische verwachtingspatroon stimuleren de lezer zich te herfocussen, de gegevens te herinterpreteren en bij elkaar te puzzelen. Het zijn ook deze vaardigheden die concreet geoefend worden in de taak over het Bargoens.

 

In deze les gaat het niet over het inoefenen van die vaardigheden zelf, maar wordt in de vorm van een luisteroefening enkele minder conventionele ideeën over kinderliteratuur gepresenteerd. Misschien is dit voor vele de enige keer dat ze beschouwend stilstaan bij kinderliteratuur en de les kan dan ook bij uitstek vormend werken.

Verder is dit een kleine les literatuurgeschiedenis op zich, vooral dan omdat ze de schatplichtigheid van Matthysen aan Zonderland duidelijk maakt. Hugo Matthysen verdient zeker een plaats in de les Nederlands: geluidsfragmenten uit het Leugenpaleis bieden ook vele aanknopingspunten voor lessen over dialecten en taalspelletjes.