Roald Dahls postmoderne verhalenmachine

Bij Shakespeare is de betekenis van het toneelstuk in het toneelstuk duidelijk: we zien acteurs die toeschouwers spelen. Misschien zijn we allen niet gewoon toeschouwers, maar ook acteurs in het toneelstuk van het leven. In ‘De verhalenmachine’ zien we hoe de lezer een personage wordt in het verhaal, een product van iemand anders’ (wereld)visie.

Primaire literatuur:

Secundaire literatuur:

Het leven is te kort: verlies geen tijd aan het lezen onderstaande opmerkingen niet als u het verhaal zelf niet gelezen hebt.

Inleiding

Het moet een van mijn leerkrachten in het lager onderwijs zijn geweest, die ons Sjakie en de Chocoladefabriek voorlas – we waren allemaal verkocht. Thuisgekomen holde ik naar de bieb en vond daar het meeste werk van Roald Dahl ontleend, maar kwam thuis met Het Wonderlijke Verhaal van Hendrik Meier. Alleen stiekem aan die kaars geraken om te oefenen, was niet evident, maar ik heb het gedaan en moest concluderen: helderziendheid bestaat niet. Twintig jaar later zag ik een magistrale bewerking van De Wereldkampioen door Pol Goossens. Hij had het op dat moment al ettelijke seizoenen gespeeld – maar de zaal ging plat. Mijn vader, die helemaal niet zo van theater en voorstelling houdt, was ook extatisch.

Roald Dahls fictie is fundamentele verhaalkracht. Je kunt moeilijke zinnen leren schrijven, geflipte beelden en metaforen verzinnen, op vertelkunde wordt je nog altijd op afgerekend door de lezer. Door kinderen, door mensen die niet uitpakken met ‘literatuur’, maar ook de uitgever die het manuscript van de beginnende schrijver naar de trash klikt.

Zijn invloed is niet te meten en in een cursus wereldliteratuur kan hij gewoon niet ontbreken omdat bijna iedereen hem als jonge adolescent zelf gelezen heeft. Dat geldt niet voor Shakespeare, niet voor de Maupassant, niet voor Tolstoy of Joyce. Voor de huidige generatie schrijvers is hij invloedrijker dan Dickens, met wie hij een beeldende, onomatopeïsche taal deelt. Als Dickens in Hard Times een personage opvoert dat Mr. Gradgrind heet, dan hoor je onmiddellijk aan de naam wat voor een ‘aangename’ leraar hij is…

‘De Verhalenmachine’

Adolf Knipe is een vrijgezel van middelbare leeftijd met een job als ingenieur bij een technisch bedrijf. Het bedrijf heeft net een succesproject voltooid, een automatische rekenmachine besteld door de regering, die vervolgens ook de voorpagina’s van de kranten haalt. Knipes baas is heel tevreden, maar Adolf zelf blijft onbewogen, zelfs als hij vakantie krijgt om eens goed uit te rusten. Hij aanvaard het voorstel, gaat naar huis, maar rust geen moment: elke seconde van zijn vakantie gebruikt Knipe om een machine te bouwen die, net zoals een calculator berekeningen kan maken, verhalen aan elkaar kan breien volgens de wetten van de narratologie (verhaalkunst) en de grammatica.

Terug op kantoor, blijkt Knipe energieker dan ooit: hij is vol enthousiasme over zijn nieuwe machine, veel meer nog dan over zijn eerste uitvinding, die de krant haalde. Vervolgens probeert hij zijn baas, Mr. Bohlen, te betrekken in zijn plan. Het is nu niet meer de baas die de werknemer aanstuurt, maar omgekeerd, met als uiteindelijke doel financieel winstbejag. Bohlen, die al verbaasd is dat er voor literatuur betaald wordt, begint zich voor het plan van Knipe te interesseren als hij de mogelijk winst ziet.

Adolf Knipe wil de literatuur automatiseren, mechaniseren, niet uit geldgewin, maar uit frustratie met zijn eigen mislukte schrijverschap. Hij wil de aantonen dat hij toch de grootste schrijver aller tijden is omdat hij heeft doorzien hoe literatuur werkt. Volgens zijn visie is elke verhaal volgense eenzelfde principe geschreven en is het belangrijkste element van de gepubliceerde literatuur sentiment. Literatuur is een massaproduct geworden. Dit is een belangrijke nuance: Adolf Knipe wil de literatuur niet vernietigen of bekritiseren met zijn machine, hij wil enkel succes. En hij kan de literatuur enkel maar mechaniseren omdat die al gemechaniseerd is: alle schrijvers respecteren dezelfde regels en normen en komen met een vergelijkbaar product. In de logica van het verhaal (en in de opvatting van Knipe) heeft de literatuur zichzelf al opgeheven.

En verhalen… ach… dat zijn ook producten, net als tapijten en stoelen, en het kan niemand iets schelen hoe je ze maakt, zolang je ze maar kunt leveren.  We zullen aan en gros gaan verkopen, Mr Bohlen! We zullen elke schrijver in het land doodconcurreren en de markt beheersen! (p.341)

Met een uitgebreide berekening komt Knipe samen met Bohlen tot de vaststelling dat er aan literatuur met een verhalenmachine nog veel meer te verdienen valt dat met andere koopwaar. Bovendien hangt er reputatie en roem aan vast als Bohlens naam aan een serie succesvolle verhalen kan worden gekoppeld. Hij blijft echter een statisch personage: hij was al hebberig en onbeschaafd, en blijft dat gewoon. Wel worden zijn lippen, in Dahls surrealistische beschrijvingen, steeds kleiner en paarser.

Letterlijke metaforen

Met Adolph Knipe is daarentegen iets vreemds aan de hand: vanaf het moment dat hij terugkomt van vakantie en het plan voor de verhalenmachine ontvouwt zijn er opmerkelijke veranderingen in zijn uiterlijk merkbaar: zijn oren en vooral zijn tanden schijnen te groeien (p.338 e.v.). Verandert de timide, menselijke, volgzame Knipe van aan het begin stilaan in een monster dat ook steeds vochtiger begint te spreken. Dit is ontegensprekelijk een beeld, ruw en absurd, dat heel kenmerkend is voor Dahls werk en in zijn jeugdboeken later volop zal worden uitgebuit. Het is moeilijk een term te verzinnen voor dit proces, maar ik zou toch letterlijke metafoor willen voorstellen, hoe pompeus het oog moge klinken. De lange oren zijn geen metafoor, ze zitten niet gewoon in de woorden van de verteller, maar in het fictieniveau. Dahl vraagt zich af: “hoe communiceer ik aan de lezer ‘Knipe wordt een monster?'”. Hij tekent er gewoon monstertanden bij, zonder zich af te vragen of dit bij het realiteitsniveau van het verhaal past. Dit is de reden dat zijn werk aanvankelijk door critici als ‘onbeholpen’ werd afgedaan, ruw, onbewerkt. Generaties lezers hebben ondertussen bewezen dat het werkt.

Nog een opmerking over Dahls verbeeldingstaal. Dikwijls zijn de schrijvers structurele inspiratiebronnen heel evidente en dagelijkse zaken. De machine die de verhalen produceert heeft een gaspedaal en hendels net zoals een auto. Op die manier stuur je het verhaal en met het pedaal bepaal je de zoveelheid passie. Wanneer Mr. Bohlen tijden een van de testritten met de verhalenmachine het gaspedaal niet spaart blijft het resultaat ook niet uit: “Dit is weerzinwekkend!” Yes sir, antwoordt Knipe, it’s perhaps a bit fruity. De hele verbeelding van dit probleem -hoe een machine uit te beelden die verhalen maakt- gaat volgens mij terug op de Engelse uitdrukking: to drive an argument/a story home (komaf maken met…, korten metten maken met…). Dit is letterlijk wat Knipe en Bohlen doen: ze rijden het verhaal naar het einde.

Persoonlijke afrekening of politieke allegorie?

Na mijn eerste lectuur in het verzameld werk van Dahl, ging ik koortsig op zoek naar een datum voor dit verhaal, wat ik op gevoel laat jaren ’60 of vroeg jaren ’70 dacht te kunnen situeren. ‘The Great Automatic Grammatizator’ werd gepubliceerd in in de bundel Someone like you uit 1953.

Van mislukt kunstenaar tot monopolist van de (literaire) wereld… niemand kan in dit verhaal de politieke onderlaag ontgaan zijn in de voornaam van de protagonist: Adolph. Diens achternaam heeft echter ook een opvallende overeenkomst met de uitgever die uiteindelijk Dahls verhalen zou publiceren.

Alfred A. Knopf (1892-1984), uitgever van o.a. Dahls bundel Someone Like You.

De achternaam Knipe draagt een vreemde gelijkenis met de naam van de uitgever van de bundel, de beroemde (joodse!) uitgever Alfred Knopf, maar de belangrijkste overeenkomst dat ze beiden literatuur verkopen zonder zelf te schrijven. Het is deze grond van overeenkomst die het interessant maakt. Wil Dahl hier subtiel te kennen geven dat dat Knopf een slechterik is? Dat zou nogal tegenstrijdig zijn: zonder Knopf zou het verhaal waarin deze kritiek geformuleerd staat niet eens gepubliceerd zijn. Het kan niet anders of de uitgever zag de grap ervan in… en had gevoel voor humor.

Maar er is meer aan de hand: ‘De verhalenmachine’ is het enige verhaal in de bundel dat niet eerder in tijdschrift is verschenen en voor het eerst verschijnt in deze bundel. In de prachtige en eindeloze reeks Tales of the Unexpected, leidt Dahl een verhaal uit deze bundel als volgt in:

Ik zou u moeten waarschuwen als u nog een van mijn verhalen gelezen hebt, dat sommige zaken nogal kunnen choqueren. Als ik een verhaal schrijf, dat ben ik bezeten van het idee dat ik de lezers aandacht elke seconde moet vasthouden, anders ben ik dood. (Roald Dahl, Tales of the Unexpected, 1979)

Het lijkt alsof dit verhaal is geschreven is met slechts een lezer in gedachten: Alfred Knopf, dit is bijna een sollicitatie. Dit is een verhaal geschreven om Knopf in het bijzonder te overtuigen. Het is ook belangrijk omdat deze naam het boek op niveau van de metafictie tilt: de realiteit (de uitgever in dit geval) buiten het boek, wordt deel van de fictie. We komen hier later op terug, wanneer we het einde bespreken. Bij Shakespeare is de betekenis van het toneelstuk in het toneelstuk duidelijk: we zien acteurs die toeschouwers spelen. Misschien zijn we allen niet gewoon toeschouwers, maar ook acteurs in het toneelstuk van het leven. In ‘De verhalenmachine’ zien we hoe de lezer een personage wordt in het verhaal, een product van iemand anders’ (wereld)visie.

In feite zijn er opvallende gelijkenissen tussen de schrijver en de politicus: beiden vertellen een verhaal dat ze trachten te verzilveren – in boekenverkoop of stemmen – en staan daarbij met elkaar in competitie. Wanneer we het verhaal als een politieke allegorie lezen, hebben we een hoofdpersonage Adolf, dat zijn eigen politieke verhaal niet kwijt geraakt, maar er el in slaagt met toestemming van andere politici en geautomatiseerd systeem op te zetten dat de mensen geeft wat ze willen horen. De uiterlijke veelheid van meningen en stemmen is slechts een façade waarachter een enkele hand de schijn van pluralisme hooghoudt. Belangrijk is het op te merken dat hoe ingenieus ook Knipes machines is, het slagen van zijn plan is nog afhankelijk van anderen. De uitgevers moeten de verhalen die de machine voortbrengt goed vinden en publiceren. En dat gebeurt ook: zelfs gerenommeerde auteurs geven Knipe de toestemming en goedkeuring om in hun naam te schrijven. De auteurs verworden tot simpele namen, noms de plumes, personages… , maar met hun eigen goedkeuring. Hitler heeft geen staatsgreep gepleegd, hij werd binnen het democratische model verkozen. De politieke implicaties zijn geenszins vergezocht wanneer we beseffen exact deze vraagstukken ook het basisonderwerp van die andere mislukte kunsternaar, Plato.

Metafictionele omslag

Ik vind persoonlijk dit verhaal sterker dat eender welk verhaal van J.L. Borges, door de politieke implicaties, door de technologische helderziendheid, door het contrast met de rest van Roald Dahls werk en door het einde dat op treffende wijze de lezer voor een persoonlijk moreel vraagstuk zet.

Terwijl voor de laatste paragraaf het hele verhaal nog objectief was, dwz. het staat buiten de lezer, het gaat om een verhaal dat je kunt dichtklappen en ‘beheersen’, draait het einde alles om: dit verhaal wat je net las was wellicht het enige dat aan de conformistische drift in de literatuur en politiek een antwoord bood, maar ook dit is bedreigd. Het is makkelijk schelden op mensen die “voor het geld kiezen”, behalve als er kinderlevens op het spel staan. Het is makkelijk te pleiten voor niet-menselijke waarden als jouw leven en dat van je kinderen niet op het spel staan, als je geld genoeg hebt.

Terwijl je dacht dat de verloedering van de literatuur in het verhaal plaatsvond, treedt het plots binnen op het niveau van de eigen lectuur: is dit verhaal het laatste wat ontsnapte aan het imperialisme van het conformisme? Heb ik als lezer daar door mijn leesgedrag schuld aan? Stel dat elk verhaaltje dat je tegenkomt in je leven het product is van één enkele machine, wat wil dat dan zeggen? Durf je daar aan te denken?

Detectives II: Sherlock Holmes

LESMATERIAAL:

Deze lessenreeks over de detective kan natuurlijk niet aan Sherlock Holmes voorbijgaan. Het leerplan is duidelijk over vertaalde literatuur en als het wereldletterkunde betreft, hoeft het volgens mij geen betoog. Er is binnen de les Engels geen tijd genoeg om zelfs maar de voornaamste auteurs aan te stippen, dus dat kan zeker in de les Nederlands aangevuld worden.

Het is ook belangrijk om op te merken dat wat de originele teksten betreft, alles van A.C. Doyle natuurlijk op het web beschikbaar is: Engelse teksten, audio books, zelfs twee integrale tv bewerkingen van exact dit verhaal zijn vrij te verkrijgen. Ik geef deze links ook altijd aan de leerlingen: wie te lui is om te lezen kan altijd het originele Engelse audiobook op de iPod afspelen. Liever zo dan dat helemaal niets te lezen.

Dit opdracht brengt noodzakelijkerwijs thuislectuur met zich mee. Deze kan getest worden aan de hand van de meerkeuzevragen. De leerlingen mogen bij het oplossen de tekst gebruiken. Zo worden zij die hun tekst bewerken, notities nemen bij de lectuur enzoverder, beloont.

Van zodra er leerlingen met de meerkeuzevragen klaar zijn, mogen worden zij in groepjes verdeeld volgens moment van het afleveren van het eerste deel van de taak. Zij mogen in groepjes van 3 aan een van de begripsvragen beginnen. Omdat de meerkeuzevragen vrij eenvoudig zijn voor zij die het verhaal gelezen hebben, zal de verdeling van de groepjes eerlijk zijn met betrekking tot indeling.

De volgende les wordt dan een rondetafelgesprek over de thema’s van het verhaal, maar geleid door de antwoorden op de begripsvragen en naar voren gebracht door de leerlingen. In het rondetafelgesprek kan de leerkracht ook de punten aanstippen die belangrijk zijn op basis van de cursustekst. De beste manier is niet hiermee te beginnen, maar deze punten aan te halen in repliek op de antwoorden van de leerlingen op de begripsvragen.

Deze tweede les zou kunnen afgerond worden met een beschouwing over “natuurlijke fysionomie” in literatuur: de goeden zijn altijd mooi, de slechten lelijk. In die context kan gewerkt worden met een extract uit Umberto Eco’s “De Taal van het Gezicht” uit Wat Spiegels Betreft.

Detectives I: Oedipus en Hamlet

LESMATERIAAL:

Deze les is nog op geen enkele manier uitgewerkt in werkvormen, hoewel mijn ervaring in verscheidene klassen van verschillend niveau is dat gewoon het verhaal van Oedipus brengen voor de leerlingen, heel wat aandacht opwekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat is niet onbelangrijk en daar moet ook gebruik van gemaakt worden, zeker als het een van de absolute klassiekers van de wereldliteratuur betreft. Onlangs zag ik in een college in de gang een oude bank staan met daarop enkele oude schooledities. Oedipus Tyrannos was erbij. Ik denk dat zelfs de leerlingen in de richtingen Grieks niet allemaal tot deze tekst toekomen. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de leerkracht Nederlands om zulke teksten te behandelen.

Inleiding:

Dikwijls begin ik een les waarin Grieks theater ingeleid moet worden over de Olympische spelen. Je polst bij de leerlingen wat ze erover weten en probeert ze geleidelijk te laten nadenken waar die spelen vandaan komen. Als ze geen idee hebben, wijs hen dan op het de eigennaam Olympisch, verwijzend naar de berg. Waarom een berg? Daar woonden de goden en ter ere van de Griekse goden zijn de Olympische spelen ontstaan.

Het Westers theater is ontstaan als een integraal deel van een godsdienstcultus. Hierbinnen was er en competitief aspect dat zowel gold voor wat wij nu sporten plachten te noemen (fysieke prestaties) en kunsten (mentale prestaties). Dit aspect is altijd een deel geweest van de artes tot voor de romantiek en als de Olympische spelen zoals wij ze nu kennen nieuw leven worden ingeblazen in de 19de eeuw, dan is het ook typisch voor die periode of voor het eerst de scheiding tussen sport en kunst te maken.

Shakespeares Hamlet kan hierna ook aan bod komen en het perspectief is interessant. Door deze invalshoek zullen de leerlingen beseffen hoezeer de zogezegd belangrijkste tekst uit de moderne letterkunde bijna een calque is van een Grieks toneelstuk.

hamletcl-3-2b-2

Anderzijds verdient de research techniek van Hamlet enige aandacht: voor het eerst wordt waarheid (over de misdaad) gepuurd op basis van psychologie. Hamlet spiegelt de moordenaar zijn misdaad voor en gebruikt diens reactie om de misdaad op te lossen.

Ik hoop er later nog toe te komen om concretere werkvormen voor deze les (of lessen) op te zetten, voorlopig enkel de Nederlandse tekst van ‘De Muizenval’ uit Hamlet.

Poëzie: stiftgedichten schrijven

Toevallig stootte ik vorig jaar op een filmpje van Dimitri Anthonissen.

Stiftgedicht Diepzee from Dimitri Antonissen on Vimeo.

Dimitri Anthonissen, Diepzee

Het is bekend dat Franz Kafka na een eerste versie geschreven te hebben enkel nog schrapte om tot de uiteindelijke tekst te komen. Ook Michelangelo beweerde dat het beeld al het blok marmer vervat zat en hij enkel de overtollige steen moest wegkappen. Om dezelfde manier gaat Dimitri Anthonissen tewerk; niet met een romantekst of een blok marmer, maar de dagelijkse, absurd ordinaire tekstuele realiteit van de krant van vandaag.

In het Engels draagt deze gedichtvorm de ietwat doorzichtigere naam black-out poem. Je maakt een gedicht uit een voorafbestaande tekst door tekst weg te stiften. Dat kan een krant zijn, maar oude boeken waaruit bladzijden missen, zijn ook interessant. Op die manier kun je het niveau van het basismateriaal aanpassen aan het niveau van de klas.

Dimitri publiceerde onlangs zijn bundel Schrap me, terwijl aan de andere kant van de plas ook net nu Austin Kleon zijn Blackout Poems op de markt bracht.

De leerkracht moet hierna zeker een paar van de betere stiftgedichten op de website http://stiftgedichten.com/ lezen en bespreken samen met de leerlingen om te wijzen om een aantal valkuilen. Zo kun je de kolommen in de oorspronkelijke tekst niet respecteren, want die verdwijnen eens alles weggestift is. Je moet echt over kolommen heen lezen van links naar rechts. Een mooie is bijvoorbeeld deze…

Lees “Poëzie: stiftgedichten schrijven” verder

Spelling: Opentaal.org, de gratis officiële spellingslijst

LESMATERIAAL:

In tegenstelling tot andere (grote?) talen heeft het Nederlands nog steeds geen gratis toegankelijk woordenboek. Wat louter spelling betreft, is er nog altijd Het Groene Boekje (€19,90) en daarvan is er  een elektronische versie die €29,90 kost. De spellingsregels die aan het begin van het boekje opgesomd staan, kun je wel gratis consulteren op woordenlijst.org.

Gelukkig is er nu sedert een paar jaar een alternatief: een opensource spellingslijst. De online vrijwilligers van opentaal.org hebben op basis van online samenwerking een woordenlijst opgesteld en die heeft het keurmerk van de Nederlandse Taalunie gekregen. Deze lijst is in digitale vorm gratis te downloaden op de website van opentaal en is tegenwoordig zelfs de standaard spellingslijst die je meekrijg als je de Nederlandse versie van Mozilla of opensource officepakket Openoffice downloadt. Lees “Spelling: Opentaal.org, de gratis officiële spellingslijst” verder

4 veronderstellingen van verouderd onderwijs

Hoewel vaardighedenonderwijs al enkele jaren de regel is, komt dit alleen in de puntenverdeling tot uiting. Lezen, schrijven, spreken en luisteren wegen zwaar door, maar worden amper in de les ingeoefend, mild en amper objectief gequoteerd. Dit heeft dan ook tot gevolg dat de slaagkansen voor Nederlands altijd hoger liggen dan voor vakken als wiskunde, economie of fysica. De resultaten zijn tegenwoordig nog zelden schitterend en dat ligt niet aan de vaardigheden.
Dat komt omdat de overige 40% van de punten te behalen zijn met wat men het kennisluik noemt en taalbeschouwing (grammatica, syntaxis, semantiek, morfologie, sociolinguistiek en taalgeschiedenis) en literatuur omvat. Het grote probleem zit ‘m hierin dat dit deel puur vanuit declaratieve kennis wordt gedoceerd en geëxamineerd. De leerlingen leren informatie of regels uit het hoofd en komen dat reproduceren of toepassen. Op dat eerste ga ik later dieper in, maar zelfs de grammaticale oefeningen die standaard zijn op een examen Nederlands zijn ofwel
  • a) iets wat gememoriseerd moet worden;
  • b) iets wat compleet buiten de realiteit van de normale taalgebruiker staat;
  • c) iets wat een linguistisch-technische aangelegenheid is;
  • d) getuige van een radicaal gedateerde visie op tekst/literatuur/discours.
Hier zijn een paar voorbeeldvragen voor de vier categorieën:
  • a) Wat bedoelde Aristoteles met katharsis?
  • b) Vul de correcte meervoudsvormen aan. Verdeel in zinsdelen.
  • c) Geef aan of in de onderstaande zinnen contaminaties, pleonasmen of tautologieën voorkomen. Bevat onderstaand gedicht metonymy, metaforiek, synesthesie, personificatie or beeldspraak.
  • d) Haal de kenmerken uit deze Romantische tekst. Hoe voelt de dichter zich?
De eerste twee vragen kan iedereen 100% correct beantwoorden (als hij zo slim is de juiste naslagwerken te consulteren), de laatste twee kan niemand definitief beantwoorden.
Voorlopig moet het hier bij blijven dat die vier soorten vragen vier vooronderstellingen over kennis en leren inhouden.
  • a) Kennis is informatie die bewust en correct wordt opgeslagen in de hersenen
  • b) Kennis is wat kan worden toegepast op nieuwe situaties met goed resultaat.
  • c) Kennis is wetenschappelijke kennis en wordt op een wetenschappelijk manier aangebracht.
  • d) Taal is absoluut objectiveerbaar en communicatie is gebaseerd op contact tussen zender en ontvanger.
Al deze vier pijlers zullen later worden uitgediept en uitgelegd worden, maar tussendoor zullen ook een paar concrete oefeningen gepubliceerd worden die een nieuwe aanpak voorstellen. De theoretische achtergrond uitgeschrijven zal langer in beslag nemen, maar ik heb materiaal genoeg om de aanpak inituïtief duidelijk te maken. We moeten sommige lessen nog van instructies worden voorzien.