Pleidooi voor ‘Hoxem’ (en Hogaard?)

Sint-Janskerk, Hoxem (foto: Jos Vanhulst)

…of zelfs voor Oxem of Ossem, maar niet voor ‘Hoksem’.

In een recente blogpost van de plaatselijke schepen van cultuur, wordt de interessante kwestie aangekaart van de dubbele spelling van de Hoegaardse deelgemeente Hoksem/Hoxem. De gemeentesecretaris, die deze gorgiaanse knoop mag doorhakken, schrijft:

Hoksem is correct (Hoxem staat nog ten onrechte op sommige signalisatieborden en wegwijzers) Hoxem is de oude schrijfwijze (…).
Er wordt niet vermeld wanneer de naamsverandering gebeurd is. Het is makkelijk om te stellen dat Hoksem de huidige correcte spelling is, maar daartoe moet dan toch op een bepaald moment een beslissing gevallen zijn in het vrij recente verleden. Daarvoor werd het honderden jaren lang wel met een x gespeld.

x in het Middelnederlands

Het gaat mij minder over de kwestie van wat nu de correcte naam is (dat is een afspraak), maar wel over de tendens en het onderliggend idee. Dat betreft de idee dat een spelling van een Vlaamse plaatsnaam met x, onnatuurlijk, oud of ‘Frans’ zou zijn. Deze gedachte is verleidelijk, in soms onvermijdelijk en historische incorrect. Het verzet tegen het gebruik van letters zoals x en q is geïnspireerd door de vergissing als zouden deze letters, als ze in het Nederlands voorkomen, altijd Franse invloed verraden.
Daarom wil ik graag even een kijken nemen in een van de hoekstenen van de Nederlandse cultuur, de Reynaert. Ik wil even in herinnering brengen dat we hier spreken over Nederlands, maar dat alle middelnederlandse teksten waarover we beschikken van Zuid-Nederlanse orgine zijn (uit ‘Vlaanderen). Over de kwestie dat ‘Vlamingen’ de taal die vroeger Diets en nu Nederlands heet veel meer hebben gevormd dan de mensen van boven de Moerdijk, is een andere kwestie, maar blijft het vermelden waard.
Hoe zit het met de spelling van de auteur van de Reinaert? Gebruikt hij de ‘onnederlandse’ x? Jawel: als zijn verhaal echt begint, r.41 lees je al: het was in eenen tsinxen daghe (het was in de periode rond pinksteren) en verder r. 48 doe quamen tes sconinx hove (toen kwamen aan het hof van de koning). Het wordt snel duidelijk als je de digitale tekst doorzoekt, dat de auteur geen enkele keer ks spelt, maar consequent een x gebruikt.
Een ander voorbeeld is in Beatrijs: hoe vele gheluux ende onghevals (hoeveel van het geluk en de ongevallen) (r.60); tfensterkijn, dat met yseren banden / dwers ende lanx was bevlochten (het venstertje dat met ijzeren banden dwars en overlangs was afgespannen); anxt (angst) (r.632). De x komt maar drie keer in de tekst voor, maar nergens vind ik -ks gespeld. Er zijn nog talrijke voorbeelden aan te halen, maar het zal steeds duidelijker worden dat de middeleeuwse kopiisten consequent de x gebruiken daar waar ze ks horen. Eigenlijk is dat maar slim ook: je moet een letter minder schrijven, tegelijkertijd benut je het volledige alfabet. Dat is belangrijk: alles is er met een doel, want het komt van God en wijst naar hem terug. Tekst, woorden en letters zijn voor de middeleeuwse kopiist niet zomaar ‘gebruikvoorwerpen’, maar heilige gegevens. Voor de gewone middeleeuwse mens was het gewoon toverij. Zo zijn personen die een boek bezitten in volksverhalen en sprookjes, bijna per definitie tovenaars.

De kaart van Ferraris

De x in de Middelnederlandse teksten is net zoals de x in Hoxem geen resultaat van Franse invloed op een bepaald moment in de geschiedenis, maar absoluut origineel. Ik heb dit niet nagekeken, maar als men de archieven zal nagaan, zal men zelf in de oudste middeleeuwse documenten Hoksem met x vinden. Of correcter: Hoxhem.
Kaart van Ferraris (1777), eerste echte kaart van onze gebieden.

De Ferrariskaart vermeldt geen alternatieve vorm voor Hoxhem, zoals het wel doet voor Meldert (Maillard), een naam die nu nog onder exact die vorm in voege is. Door die verrassende h in de Ferraris, wordt wel onmiddellijk ook de etymologie duidelijk:

Hoksem – Hoxhem – Hoxheim – Ox-heim

 Voor de oorsprong (H)ox ben ik minder zeker dan van het feit dat het -hem suffix een oorsprong in -heim suggereert. Alleszins heeft, ook naar de reactie van de inwoners te horen, de x altijd in Hoxem gestaan. De vraag die eigenlijk moest gesteld worden is: wie heeft Hoksem uitgevonden? Want terwijl we zeker zijn dat de x-vorm doorheen de geschiedenis gebruikt is geweest, heeft er iemand op een bepaald moment ingegrepen om de spelling te vervlaamsen, terwijl dat niet nodig was. De onderliggende motivatie voor deze puristische verandering kan enkel de historische vergissing zijn dat Hoxem een Franse vorm is. Vergelijk dit met de tweetalige naamaanduiding voor Meldert.

De verdere bemerking van de gemeentescretaris, die de vergelijking maakt met Hauthem, zegt

we zouden theoretisch ook Hauthem moeten omvormen naar Houtem, maar dat doen we dus niet om verwarring met het Tiense Houtem te vermijden.

maart vergeet te vermelden dat ook Hauthem een aantal keer is aangepast sinds de Ferrariskaart van 1777: die vermeldt Hatem, zelfs zonder h achteraan.

Gelukkiger is het lot van Oorbeek: op de Ferrariskaart merken we nog de oude, vergeten spelling van de lange klinkers door toevoeging van een andere medeklinker: Oirbeeck. Dit kennen we nog in namen zoals Claes (lange a) en Van Goidsenhoven (lange o), al is deze laatse vorm minder frequent. Het is dan ook wel te betreuren dat het Tiense stadsbestuur op een bepaald moment de naam van de deelgemeente heeft veranderd naar het compleet ongefundeerde Goetsenhoven, terwijl de enige historisch correcte vorm wellicht Goodsenhoven zou zijn. Al even vergeetachtig is de Leuvenaar die denkt dat Stella iets te maken heeft met het Franse geslacht Artois, of een teken was van de verfransing in Leuven op z’n minst, terwijl dit gewoon de oude spelling van de oerbrabantse naam Artoos.

Hoge akkers

Ik vermeld deze historisch ongebaseerde oe-klank in Goetsenhoven (door onwetendheid ingevoerd) om te komen tot een conclusie over de oe-klank in Hoegaarden. Nog een blikje op de Ferrariskaart kan enig licht werpen.

‘Hougaerde’ op de kaart van Ferraris (1777)

Wel komen hier tot een vreemde constatatie: de naam wordt hier met ou- [au] gespeld, een tweeklank in het Nederlands, maar uitgespreken als oe [u] in het Frans. De spelling van ou vindt waarschijnlijk haar oorsprong in de dialectische uitspraak van de naam Hoo(g)gaarden. Het lokale dialect heeft de neiging te diftongeren: lange klinkers worden tweeklanken: de boowm is hoowg, of beter nog: de boum is oug. Een andere belangrijk kenmerk van het Brabants dialect in deze contreien is immers het onderdrukken van de h wanneer deze niet wordt voorafgegaan door een klinker. Dit fenomeen staat ook wel bekend als het Kwak-en-Boemel syndroom voor lezers van Jommeke. De h wordt niet uitgesproken waar ze hoort en -dit is belangrijk- wel waar ze niet hoort. Dit verklaart ook de aanwezigheid van de eerste h in Hoksem.

Een van de weinige originele vormen van verkiezingsdrukwerk uit Hoegaarden, getiteld “Hoegaards mag!”

Er zijn echt wel dingen die je niet kunt leren op wikipedia, zo blijkt: nu weet ik tenminste dat het lokale dialect zichzelf als Oogets, [H]o(e)g(a->e)[r]ts benoemt. Dit bleek echter niet helemaal correct: het zou Ougets moeten zijn omdat het Hoegaards de lange klinkers tot tweeklanken maakt, zoals ook verder in het gazetteke blijkt:

“Op onze lijst staat zowat allerlei: de burgemeester en de schepenen natuurlijk, …”

Let vooral op de ingekowzene, dat evengoed als ingekouzene had kunnen gespeld worden. Dit proces zet zich door in alle lange o’s, dus eigenlijk ook in Ougere (Hoegaarden) en Ougets (Hoegaards). Dat de naam van het dorp in de Ferrariskaart met ou wordt gespeld is dan ook logisch, iedereen weet wel dat het van Hooggaarden komt, maar de oo wordt lokaal nu eenmaal als ou uitgespreken.

Echt Vlaams is gepokt en gemazeld in het Frans

De conclusie is nogal onthutsend voor flamofielen: als Hoegaarden nu vooraan een oe-klank heeft is een gevolg van de Franse uitspraak van de dialectische uitspraak Hougaerde. De vervlaamsing die zich van de spelling Hoegaarden is gaan bedienen, had eigenlijk Ho(og)gaard moeten promoten. Men heeft gedacht (tweede vergissing in één woord) in de eind -e ook nog eens een meervoud te herkennen. De strijd tegen de zogezegd oervlaamse oe-spelling, heeft ervoor gezorgd dat de Franse uitspraak van de naam er nu ingebakken zit. Het lijkt wel op die sticker Ik ben Vlaming en ik ben er fier op, met dat lelijke gallicisme (<fière), waar we het prachtige trots hebben – oernederlands want niet ontleend aan het Duits (stolz) of Engels (proud).

Enige trots is wel te vinden in de naamgeving van het industrieterrein Bleyveld dat de tweetaligheid een plaats durft geven binnen één woord: blé (Fr. graan) + veld = graanveld. Buitengewoon taalkundig verblijdend is ook hoe de ver-twee-klanking van het Hoegaards ook de klassieke Franse lange -ee niet onziet.

Guy de Maupassant, ‘Het seintje’ (1886)

LESMATERIAAL:

lesigne

Nogmaals vertaalde literatuur, wederom zonder excuses. Leesplezier is een belangrijke hoeksteen van literatuuronderwijs, niemand hoeft immers literatuur te lezen. Anderzijds kan modern onderwijs in een transdisciplinaire benadering niet zonder literatuur: geen enkel medium is in staat de sociale, ethische, economische, esthetische en epistemologische stratum van een maatschappij weer te geven en toch aanschouwelijk te maken.

saintlazaregare

Naast het feit dat ‘Le signe’ van Guy de Maupassant leest als een trein (ook bij de leerlingen!) , zit er onder het oppervlakteniveau van de burgervrouw die zich ‘toevallig’ prostitueert een vat van culturele en sociale informatie en kritiek schuilgaat. Om dat alles te ontdekken is er een gidsende hand nodig en de achtergrondtekst biedt in dat opzicht stof genoeg ter discussie, maar is een tekst-in-ontwikkeling, zoals vele teksten hier. Feedback is altijd welkom.

Er zijn geen concrete takenbladen voorzien, omdat ik denk dat het kortverhaal genoeg aandacht en reactie bij de leerlingen zal hebben om een levendig klasgesprek te voeren.

Deze les biedt aanknopingspunten voor een discussie over prostitutie, seksuele ethiek enzoverder, maar het verhaal van de Maupassant neemt dit veel breder en beoogt kritiek op een veel bredere laag van de burgerlijke code dan louter op het vlak van seksualiteit.

Op het einde van de achtergrondtekst worden enkele opmerkingen geformuleerd over dit verhaal als metatheater, het leven als een toneelrol: ben je zoals je jezelf ziet, of ben je hoe de anderen je zien? Is er in het leven een verschil tussen een rol spelen en een rol vervullen?

Essay: Michel de Montaigne, ‘Over leugenaars’ (1580)

Als een titel het werkelijke onderwerp van een tekst moet vatten, begint Montaigne zijn tekst al met een uiterest slinkse leugen. Een goed deel van het middendeel gaat over het geheugen en vergeetachtigheid en hij gooit daarmee “mensen die bewust onwaarheid spreken” (=liegen) en “zij die onwetend zijn” op een hoopje. Langs een uiterest ingewikkelde weg, leidt Montaigne de lezer naar de conclusie dat het niet belangrijk is veel te weten, veel te onthouden, goed te kunnen spreken enz., maar wel om een scherp verstand te hebben en zo leugenaars te kunnen doorzien.

LESMATERIAAL:

Natuurlijk is Michel de Montaigne niet te versmaden wanneer over het essay wordt gesproken, maar tevens verwoordt hij ook de persoonlijke, individuele, twijfelende stem van de onderzoekende, zelfdenkende renaissancemens. Het dooreengeschudde middeleeuwse wereldbeeld, waarin de aarde niet meer in het middelpunt van Gods schepping staat, laat ook de mens gechoqueerd achter. Nu alle waarheden van buitenaf in duigen gevallen zijn, rest er niets anders dan bij zichzelf te beginnen. Ik weet niets, zegt Montaigne, het enige waarover iets met zekerheid kan zeggen, zijn mijn eigen ideeën, gewaarwordingen en gevoelens.

montaignefrontis

Als een titel het werkelijke onderwerp van een tekst moet vatten, begint Montaigne zijn tekst al met een uiterest slinkse leugen. Een goed deel van het middendeel gaat over het geheugen en vergeetachtigheid en hij gooit daarmee “mensen die bewust onwaarheid spreken” (=liegen) en “zij die onwetend zijn” op een hoopje. Langs een uiterest ingewikkelde weg, leidt Montaigne de lezer naar de conclusie dat het niet belangrijk is veel te weten, veel te onthouden, goed te kunnen spreken enz., maar wel om een scherp verstand te hebben en zo leugenaars te kunnen doorzien.

Terloops maakt de schrijver nog een prachtig pedagogisch argument tegen het klakkeloos memoriseren van kennis.